donderdag 19 oktober 1995

8. Een dag uit het leven van…

Een dag uit het leven in de tropen... Ik lees ze wel een van anderen “een dag uit het leven van ...”, meestal zijn het personeelsblaadjes of zo. Ik vind het altijd wel grappig zo’n dag mee te lopen en eens lezen hoe een ander het nou doet. Ik wilde jullie weer eens wat schrijven, maar ik weet niet wat. Alsof je niets mee maakt en er gebeurt zo veel. Eigenlijk is het best makke-lijk om zomaar een willekeurige dag uit je leven te volgen en op te schrijven wat er zoal gebeurd. Hier is dan zo'n dag.

Het is al 6 uur als Douwe ons komt wekken. Koen was al wat eerder tussen ons ingekropen maar die slaapt meestal rustig verder. Hij laat zich ook nauwelijks storen door Douwe’s verhalen die meestal gaan over z’n dromen; fantasierijke bouwplannen die vervolgens meteen uitgevoerd zouden moeten worden. Als ik al 5 keer hetzelfde zinnetje heb gehoord “Kan je dat dan wel voor me maken?”, draai ik me om en open m’n ogen. “Goeiemorgen Douwe!”. “Goeiemorgen, mama, ja is dat afgesproken dat je dat nu voor me gaat maken”. “Wat?” “Nou, dat vliegtuig met een propellertje waar je zo mee weg kan vliegen, waarheen je maar wilt?” “Oh, Douwe dat kan ik niet hoor een vliegtuig bouwen”. Koen is inmiddels ook wakker. Gerard dut nog wat door. Douwe en Koen gaan alvast de woon-kamer in. Als ik dan toch ook maar uit bed kom, zijn alle kussens van de stoelen en bank gehaald, krukjes staan op z’n kop: “Kijk, zo’n vliegtuig bedoel ik nou”, zegt Douwe. De stellingen van kus­sens blijkt dit keer een vliegtuig te zijn. Andere keren is dezelfde constructie een boot of een huis, een auto of een ingenieuze machine die van alles kan. Ze spelen lekker verder, als ik ondertussen de was uit de wasmachine haal en een nieuwe was er in doe. Dat is voor Prince straks als ik naar m'n werk ben. Ik zet thee en dek de tafel. Douwe en Koen komen allebei helpen de borden en kopjes op tafel te zetten. Inmiddels zit Gerard alweer achter de computer even wat voorbereiden voor een vergadering die dag.

We ontbijten en dan ga ik me snel douchen en aankleden. Koude douche. Onze watervoorziening is nog steeds het regenwater dat we via het dak en de regenpijp opvangen in een ondergrondse tank, van daaruit pompen we het naar een hoger gelegen tank die dan zo voor de waterdruk zorgt en het mogelijk maakt onder de douche te kunnen of je handen te wassen als je de kraan open draait. ‘s Morgens is het water meestal koud, maar ach je weet niet beter. ‘s Middags als de zon op de tank heeft staan branden is het wel warm. Inmiddels zijn Prince en Stella gekomen en zijn Douwe en Koen ook aan het badderen. Ik zeg ze gedag en ga naar het ziekenhuis.

Ik loop altijd eerst bij de sisters langs voor de sleutel van de ‘main store’, dit is de opslagplaats van de medicijnen. Ik zorg nu al ruim een jaar voor de uitgifte van medicijnen aan de afdelingen, hou in de gaten wat er besteld moet worden en hou op de computer bij wat er in en uit gaat en zo hebben we nu een redelijk overzicht gekregen wanneer we wat moeten kopen, hoeveel het kost en hoeveel we ervoor moeten vragen. In hetzelfde gebouw zit ook de wasserij van het ziekenhuis en degene die de store doet, zorgt ook voor de wasserij. Nadat ik de sleutel heb opgehaald, loop ik langs de store, haal wat waspoeder en een paar blokken zeep eruit en giet het bleekwater in een kom. Er ligt al een berg was voor de machine, allemaal groene stukken, dat is de operatiekamer. Waarschijn­lijk hebben ze gisteravond of vannacht geopereerd. De was is al voorgespoeld en ik stop het in de machine, zodat die al gedraaid is als de wasvrouwen Agnes en Sarah komen. Ik loop door via de kinderafdeling naar de volwassenafdeling, zodat ik meteen weet of er wat bijzonders is. De kinderafdeling is druk maar kalm. Meestal ligt het vol. Nu ook. Veel kinderen zijn giste­ren of eergisteren gekomen. Veel met malaria en bloedarmoede. Als de koorts naar beneden is, gaan ze vandaag met medicijnen naar huis. De kinderen met ernstige bloedarmoe­de krijgen veelal een bloedtransfusie en knappen daar aanzien­lijk van op. De oorzaak van de bloedarmoede is meestal malaria.

Ik loop door naar William. Hij is een jongen van 12 jaar die meningitis (hersenvliesontsteking) heeft opgelopen. Hij is ruim drie weken niet aanspreekbaar geweest maar sinds twee dagen reageert hij als je hem aanspreekt en volgt je met z’n ogen. Hoe ernstig de beschadiging is of zal blijven weet niemand. Gisteren hadden we William uit bed op een stoel gezet. hij kon zo ook weer wat drinken. Alles met hulp, want hij is niet in staat z’n armen of benen te bewegen. Williams vader en oma zijn constant bij hem geweest. Dit kost veel energie. Volgens mij zien ze het niet meer zo zitten, zelfs de lichte verbetering kan hen geen hoop geven. Ik probeer ze nog een hart onder de riem te steken en ze nog eens te motiveren voor passieve oefentherapie met Willie. De grootmoeder laat me nog eens duidelijk zien welke oefeningen ze allemaal moet doen. Ze weet het nog wel. Ze doet me geloven dat ze haar best er wel voor wil doen, maar als ik later die ochtend nog eens langs loop zitten de grootmoeder en vader allebei een beetje te neer geslagen aan het bed. Ze hadden om ontslag gevraagd maar de arts had geen toestemming gegeven.

Van de kinderafdeling loop ik door naar de volwassenafdeling. Daar was de nacht ook rustig. Ze vertelden me dat een patiënt op bed 12 was overleden om 6.00 uur vanmorgen. Hij was gisteravond opgenomen in een slechte conditie en is er niet bovenop gekomen. Opmerkelijk is dat veel patiënten om 6.00 uur in de ochtend doodgaan. Dit is ook de tijd dat er weer gewerkt wordt, want het nachtpersoneel slaapt meestal. De familie moet dan, evenals overdag, op de patiënt letten en als die dan ook slapen, gebeurt het wel dat de patiënt bij ‘t wakker worden van de anderen, is overleden. Ik loop over de afdeling, groet de mensen en ga naar het medi­cijnuitgiftekantoortje van de afdeling. Hier beginnen we met het aanvullen van de medicijnpotjes, uitdelen van verbandmateriaal, schoonmaakspullen, etc. voor die dag. Als ik daar net mee klaar ben, komen de eerste moeders van de kinderafdeling al met de temperatuurkaarten van de kinderen die zojuist ontslagen zijn. Ik maak de rekening op, alles wat gebruikt is of gedaan is tijdens de opname wordt opgeschreven en ik zet dat om in cedis volgens een afgesproken prijslijst. Deze ochtend zijn er 10 kinderen ontslagen en 8 volwassenen. Nadat ik de rekeningen heb gegeven, volgt de betaling en het geven van de medicijnen die zijn voorgeschreven bij ontslag. Het een en ander neemt altijd een hoop tijd in beslag. Als ik net met een van de laatste patiënten bezig ben, komt Mary Komsoon het hoofd van de kinderafdeling bij me. Ze vertelt me dat de grootvader van William is gekomen en hij staat erop het kind mee te nemen. De verpleegkundigen, door de lichte verbeterin­gen bij Willie aangemoedigd, hadden geprobeerd de familie te overtuigen nog iets meer geduld uit te oefenen. Nu werd het probleem naar mij geschoven. Het ziekenhuis is geen gevange­nis, je kan ze niet tegenhouden. De grootmoeder stond bij me te smeken (“I beg you”). Ik heb haar gevraagd naar de afdelings­arts te gaan om ontslag te regelen.

Om twee uur hadden we een afdelingsvergadering op de volwassenafdeling. Deze houden we een keer per maand en bespreken dan huishoudelijke zaken maar ook kan iemand bv. een ziektebeeld voorbereiden en erover vertellen. Meestal gebruiken we de vergadering om de puntjes op de i te zetten of te houden. Vandaag bespraken we wie er naast het afdelingshoofd verant­woordelijk zou worden. Sinds kort zijn er namelijk Ghanese verpleegkundigen hoofd van de afdeling i.p.v. de religieuze zusters (nonnen). Die proberen nu meer op het begeleidende nivo te zitten. De staf is erg blij met deze ontwikkeling en voelen erkenning. De hoofden voelen zich nu ook meer betrokken en verantwoordelijk voor het werk. Het selecteren van een hoofd was niet zo moeilijk en is min of meer democra-tisch besloten. De tweede verantwoordelijke daar gingen we het nu over hebben. Er zouden vier kandidaten zijn maar twee hadden zich al terug getrokken. Van de twee overblevenen is er een zeer geschikt. Iemand die goed overzicht heeft en ook kan delegeren. De andere is erg traag en ongeorganiseerd en kan absoluut geen orders geven, maar zij is de oudste, ruim 50 jaar oud en volgens Ghanese gewoontes zou zij degene zijn die daarvoor in aanmerking zou moeten komen, zonder te kijken naar kwaliteit en geschiktheid. Bij de stemming bleek er een gelij­ke verdeling van stemmen en samen besloten we dat dan de sisters (=management) de keuze maar moet maken. Gelukkig weet ik wel wie hun voorkeur heeft. Tijdens de vergadering zag ik Williams grootouders voorbij lopen met grote tassen. Even later kwam z’n vader langs met William als een slappe pop in z’n armen op weg naar... Later die dag hoorde ik dat ze William naar een ‘spiritual healing church’ zouden brengen om te zien of er genezing gebracht kan worden.

Het was half vier toen ik thuis kwam. Gerard was ook nog niet thuis. Even snel wat eten en drinken en dan school. Meestal ben ik wel eerder thuis zodat we ook op tijd met school kunnen beginnen. Douwe en Koen vinden het meestal leuk. Het geeft weer wat afwisseling in hun spel en ze krijgen m’n aandacht. Ikzelf vind het ook leuk om les te geven. We zijn nu in groep 2 bezig. Ik heb een begeleidingsboek dat het programma van dag tot dag beschrijft. Meestal heb je een thema per week, soms is er een thema dat twee weken beslaat. Deze week hebben we het over gezond en ongezond. We praten dan over ziek zijn, de dokter, het ziekenhuis en lezen een bijpassend verhaaltje. Bij het onderdeel expressie hebben Douwe en Koen deze week een tekening gemaakt van een dokter en een ziek kind, een andere dag een ziekenauto van een kartonnen doos en gisteren een zieken-huis van lego gemaakt. Vandaag lezen we een verhaaltje over twee kleuters die een vogel vinden die gewond is en naar de dierenarts gebracht wordt. Daarna krijgt Douwe schrijfoefeningen en Koen mag iets uitzoeken wat hij leuk vindt. Hij kiest voor een puzzel wat hem goed afgaat. Koen doet nog wel mee met de voorbereiding voor het schrijven. We doen dit naar aanleiding van een plaat­je uit het schrijfschrift waarop kinderen een bal in een emmer moeten gooien. We zeggen er een rijmpje bij. Als het spel voorbij is, schrijven we de beweging van de bal naar de emmer in de lucht. Daarna schrijft hij de beweging op het blaadje in het schrift. Het is allemaal heel basaal maar een leuke manier om te leren. Na deze oefening doen we nog een spel. Ik vertel een verhaal over een meisje dat rolschaatst, valt en haar been gebroken heeft en in het gips moet. Douwe en Koen moeten tijdens het vertellen uitbeelden wat er gebeurt. Ondertussen is Gerard ook thuisgekomen. Douwe vertelt hem het verhaal over de vogel die nu i.p.v. een meeuw een gier is geworden. Dit omdat een meeuw niet zo tot de verbeelding spreekt en een gier wel.

Na school koken we samen en als dan om 7.00 uur Douwe en Koen in bed liggen is er tijd om wat te relaxen. Ik lees een goed boek en als ik dan volledig ontspannen raak, val ik in slaag. Morgen is er weer een dag.

vrijdag 11 augustus 1995

7. Opgesloten in de operatiekamer

Daar is 'ie dan weer. De vorige rondzendbrief was al bijna een jaar geleden, en als we deze frequentie aanhouden dan kunnen we de volgende meenemen als we terugkeren naar Nederland, volgend jaar juni. Er is in de afgelopen periode veel gebeurd, te veel om zo maar even in een avondje op te hoesten.

Het leven en werken gaat hier met de nodige ups and downs. De ene keer voel je je gefrustreerd en heb je ook geen zin om een lange klaagbrief te schrijven, een andere keer gaat het weer lekker, wat vaak ook betekent dat je helemaal in werk maar ook in Ghana opgaat. Je wordt ook veel geleefd in Ghana, zeker met het werk van District Medical Officer. Ook het zieken-huiswerk is vaak heel bijzonder. In ieder geval is het voor ons duidelijk dat dit werk hoewel vaak niet makkelijk, toch vreselijk blijft boeien. Laat ik maar eens wat verhalen vertellen, voordat dit een lang filosofisch betoog wordt. Voor dat laat­ste is helaas ook weinig tijd!

Eerst maar eens een luchtig verhaal uit het ziekenhuis wat nog vers in m’n herinnering zit. Vorige week moest ik een keizersnee doen voor een tweeling. Het eerste kind lag dwars. Toen we net begonnen waren bleek dat de deur van de operatiekamer in het slot gevallen was. De sleutel was een week geleden afgebroken en zodoende stonden de verloskundige en de omloop buiten. Daar stonden we met z’n drieën, een instrumenterend-assistent, de anesthesist en ik. Er zat niets anders op dan de beide kinderen aan de anesthesist te geven. Het tweede kind moest ik zelf naar de reanima­tietafel brengen, omdat hij druk met de eerste bezig was. Moeder en kinderen zijn inmiddels gezond ontslagen, maar we waren wel even ‘hot’. In Nederland zal het misschien vallen onder calamiteiten, hier denk ik meer onder hilariteiten.

Vorige week kregen we ook bezoek van een delegatie uit Zuid-Afrika. In Zuid-Afrika zijn vorig jaar voor de verkiezingen 120 mensen getraind in Senior Health Management, 60 daarvan konden zich vrijmaken om 6 verschillende Afrikaanse landen te bezoeken en 10 kwamen naar Ghana. Een team van vier was vorige week 4 dagen in Assin District: een arts, een tandarts, een verpleegkundige en een maatschappelijk werker. Hun missie was om de gezondheidsstructuur van Ghana te bestuderen, en dit later in Zuid-Afrika met de andere ervaringen te gebruiken voor het opbouwen van hun nieuwe gezondheidszorgsysteem. Het systeem is nu nog erg ‘gefragmenteerd’, zoals ze het noemden, met alle overblijfselen van het apartheidsregime. Wij hebben een aantal dagen intensieve discussies gevoerd, veel geleerd en zoals zij het ook noemden aan ‘networking’ gedaan. Aan het eind van hun bezoek kregen Florence en ik een speld met de nieuwe Zuid-Afrikaanse vlag opgespeld. Mijn kantoor is nu opgevro­lijkt met een klein RSA-vlaggetje, en we hebben allerlei interessante stukken gekregen over wat er de komende tijd in Zuid-Afrika te gebeuren staat. Wij voelden ons vooral erg vereerd met dit bezoek. Veel meer dan het bezoek van afgelopen dinsdag. Toen kwam er een delegatie met ‘people from all over the world’ (zo werd het aangekondigd) van het UNDP kantoor in New York. Dit was een vliegend bezoek van een 10-man delegatie met personen uit o.a. Rusland, China, Denemarken, Trinidad Tobago. Er werden snel een paar foto’s gemaakt werden en ik hoorde ook bij het decor. Zo wisselen bezoeken snel af, woensdag een Engelsman van Save the Children Fund en donderdag 3 Canadezen, broeders van de Church of God in Christ, die graag, handen uit de mouwen, putten en toiletten in ons district willen komen slaan. De meeste van die bezoeken zijn onaangekondigd en het kost je meestal wel een paar uurtjes.

Ons dis­trict is uitgekozen voor een veldstage van een student van de School of Public Health Ghana. Deze school is dit jaar gestart en de opleiding duurt 1 jaar. Het zijn vaak artsen die deze opleiding doen na een aantal jaren in het veld gewerkt te hebben. De student is deze week gearriveerd en zal 4 maanden met ons werken en zijn onderzoek doen. Dit soort activiteiten maken het werk erg interessant en het is bovendien een erken­ning van het werk dat we hier doen. Ik hoop zelf volgend jaar in Engeland een dergelijke opleiding te doen. De stageplek geeft me dus tevens een aardige indruk van hoe de opleiding hier opgezet is.

Florence werkt nog steeds voor meer dan 100% in het zieken­huis. Ze is nu verhuisd naar de mannen/vrouwen afdeling. Zo heeft ze elke afdeling van het ziekenhuis al gezien. Een van de groot­ste problemen waar ze tegenaan loopt is verantwoorde­lijkheden geven aan Ghanese staf. Ze is daarbij een soort intermedium tussen Ghanese staf/ver­pleegkundige en Spaanse nonnen. Een rol waarvoor heel veel geduld nodig is, die ze goed op kan brengen. Misschien dat zij zelf in een volgende brief daar wat meer over vertelt.

‘s Middags geeft Florence les aan Douwe en Koen. Douwe zit inmiddels in groep 2. Het is grappig om te zien hoe Douwe en Koen de schoolsituatie spelen. Soms gaan ze naar buiten en zeggen dan dat ze naar school toe gaan. Vervolgens kloppen ze weer aan en komen op school. Op dat moment is Florence dan ook echt hun juf geworden. Ik neem soms de computerlessen (Floppie) voor mijn rekening.

In juni zijn we een maand in Nederland geweest. Ondanks het slechte weer, hebben we ons prima vermaakt, met zwembaden, speeltuinen en kamperen. Ook een paar dagen met z’n tweeën op stap (Parijs/Antwerpen) was heerlijk. Inmiddels is het weer bij jullie wel echt zomers geworden en horen we elke dag hoe jullie te lijden hebben onder de tropische temperaturen. 

Op de dag van ons vertrek naar Nederland speelde Ajax de Champions League Finale. In Ghana worden deze wedstrijden ook live, of vertraagd live uitgezonden. Zo kwam het dat we het laatste half uur van de wedstrijd op het Kotoka vliegveld konden volgen en natuurlijk een dansje maakten toen de bal er net voor tijd in ging. De passagiers wachtend voor Ethiopean Airlines keken een beetje verbaasd over zoveel fanatisme. Wij konden alleen een feestje bouwen met de barkeeper die ook Ajax (lees Finidi en Kanu) supporter was.

Yot slot nog een opmerkelijk artikeltje uit de krant van 2 mei. Het is maar hoe je onze rol als slavenhandelaar bekijkt. Vergeven (?) en vergeten (?), met of zonder excuses...

Hoop dat de tropische zon jullie net zo goed doet als ons.

donderdag 20 oktober 1994

6. Light off

Het is al weer een lange tijd geleden dat er een rondzendbrief de deur is uitgegaan. Het werk en leven neemt vrijwel al onze energie weg. 's Avonds is de kaars ook vaak snel uit. Daarbij komt dat Douwe en Koen een aardig Afrikaans ritme aangenomen hebben. Als het donker wordt, dan zakken de oogjes en 's ochtends bij het gloren worden ze wakker en zijn dan niet meer stil te houden. De een maakt de ander snel wakker en het leven begint dus meestal tussen 5 en 6 uur.

We zitten nu midden in de regentijd. Het lijkt wel of de regentijd veel langer en heviger is dan vorig jaar. Meestal rond 4 uur krijgen we een flinke regenbui. Douwe en Koen staan dan meestal een half uur onder de lekkende dakgoot. Douwe noemt dit de buitendouche.

Een aantal wegen in het district zijn onbe­gaan­baar geworden. Sommige dorpen hebben we al bijna een half jaar niet kunnen bezoeken. Niet overal regent het zo veel. In het noor­den is begin van het jaar te weinig regen gevallen. De twee Volta-rivieren voeren daardoor te weinig water naar het grote kunst­matige stuwmeer (het Voltameer) dat in het zuiden van Ghana ligt. Het water­peil is te laag en daardoor kan er niet genoeg waterkracht-energie opge­wekt worden om het land te voorzien. Wij zitten dus op rant­soen. Eenmaal per week gaat de Akosombo-kraan een dag dicht. Bij Akosombo, net boven Accra, ligt namelijk de grote water­kracht centrale. ‘Akosom­bo’, ‘gene­rator’ en ‘light off’ zijn dan ook woorden die al aardig in het taal­gebruik van Douwe en Koen opgenomen zijn. Als het licht over dag uitvalt, heeft Koen dat direct in de gaten, kijkt dan naar de ventilator en zegt “light off”.

Vorige week toen het ‘light off’ was en ‘s avonds de generator aan stond, zat ik in een kantoortje bij de convent te werken op de computer. Het had die dag al wel wat geregend maar van onweer hadden we nog weinig gemerkt. Plotseling was er een klap en een flits, en zat ik in een lichtzee. Daarna zat ik in het donker nog naar het beeldscherm te kij­ken. Computer en printer hebben het begeven. We hopen dat UNICEF die deze spullen gegeven had, ons weer een helpende hand kan toeschie­ten. Ook de radio verbinding van het ziekenhuis was kapot. Pas later realiseerde ik me dat het wel heel erg dichtbij was!

Het werk en vooral het leiding geven aan de gezondheidszorg in het district, heeft zo zijn ups en downs. In juni zat ik even in een dalletje. Een aantal teamleden bleek zich steeds minder in te zetten voor het district en vooral met eigen zaakjes bezig te zijn. Ghana is een land van allowances (toeslagen). Om bijvoorbeeld de dorpen in te gaan, vond men dat men daar eerst een toeslag voor moest krijgen. Om de vergadering bij te wonen had men een sitting allowance nodig, en na afloop een snack en een drank­je. Belonen na werk/prestatie is misschien ook een te Neder­lands uitgangspunt.

Ik voelde ook dat de boog al lange tijd gespannen stond. Fysiek kost het werk je al ontzettend veel. Er waren weken dat we het district en het ziekenhuis met z’n tweeën draaiden. Het kan hier vreselijk druk zijn in het ziekenhuis. Dan sta je elke nacht een aantal uren in de OK. Verder hadden we ook nog geen vakantie opgenomen en was het tijd om er even tussen uit te gaan. Het verlof in Nederland was dus zeer welkom. Te kort om iedereen op te zoeken. We hebben het bewust ook wat rustig aangedaan. Een weekje door Amsterdam slenteren, in winkels kijken, naar de Spanjaard, Mexicaan en Italiaan. Ook Douwe en Koen hebben zich prima vermaakt, met klim-rekken, glijbanen, pretparken en de dierentuin. Douwe is een aantal weken naar groep 1 geweest. Dat was voor hem natuurlijk een hele belevenis. Ook voor ons trouwens, om zo tussen de andere vaders en moeders, een beetje dromend bij het hek op je kind staan te wachten.

Zo’n verlof is sowieso bijzonder omdat je de bijzondere kanten van de Westerse en Afrikaanse samenleving ziet. Het gehaaste en (over?)georga-niseerde tijdschema in Nederland. Zo kijk je waarschijn­lijk een aantal keren op je horloge, voordat je op de fiets stapt om om half 9 op school te zijn. Onze twi-lera­res kwam gisteren niet, omdat het regende. Vanochtend ging ik veel later weg dan gepland, omdat een paar mensen nog wat kwamen bespreken. Het werk in het zieken­huis of district duurt zo lang het duurt, en de enige tijd die we ‘s avonds in de gaten houden is vanwege de Wereld-omroep. Toch vliegt ook hier de tijd.

De discussie in Nederland over computer netwerken en elektro­nische snelwegen, deed me wat duizelen. Deze kan hier natuur­lijk helemaal niet gevolgd worden, in een district waar maar één geasfalteerde weg is, ik waarschijnlijk de enige ben met een computer, en niemand een telefoon heeft, laat staan een faxverbinding. Je krijgt wel het gevoel dat het gat tussen eerste en derde wereld alleen maar groter wordt.

Inmiddels zijn we drie weken terug in Ghana, en hebben het gevoel weer thuis te zijn. Sr. Angeles, de matron, wachtte ons op op het vliegveld. Florence en ik zijn allebei weer aan het werk. ‘s Middags geeft Florence een paar uur les aan Douwe (het IVIO-pakket) en ze zijn beiden heel enthousiast. Koen kan zichzelf heel goed vermaken en is dikke maatjes met Stella. Hij stond laatst te huilen toen Stella naar huis ging.


In het ziekenhuis en het district zijn we ook heel hartelijk ontvangen en het geeft allemaal weer een ver­trouwde indruk, evenals trouwens de schapen en geiten die tussen de afdelingen heen en weer lopen, de gieren op het dak en Nana, de dove watchman (!) die ‘s nachts met opgestroopte mouwen en op slippers de OK op komt sloffen om de patiënten naar de afdeling te brengen.

donderdag 31 maart 1994

5. Yes sister, we will do so

Het is half negen ‘s morgens. Ik zit hier met dikke zweetdrup­pels op m’n voorhoofd op de veranda te schrijven. De tempera­tuur is vannacht niet onder de 30 oC geweest. Het is al weer even geleden dat we geschreven hebben, deels was de oorzaak tijd en deels inspiratie, maar nu dan toch maar weer proberen.

Allereerst wil ik even stil staan bij de verschrikkelijke moord op Eelco Krijn, Karin en Zita in Sierra Leone, waar jullie ongetwijfeld over gehoord hebben. Wij kenden hen niet persoonlijk, maar je voelt een betrokkenheid omdat je hetzelf­de werk doet en misschien ook wel omdat je voor dezelfde organisatie werkt. Dat dit soort situaties een ieder van ons kon overkomen is niet ondenkbeeldig. Waarschijnlijk is het nieuws over onlusten in Afrika summier afgedrukt in de kranten in Nederland, maar als je een lijn trekt van Noord-Afrika naar Zuid of van Oost naar West, bijna bij elk willekeurig punt kom je onrusthaarden tegen. Ook in het Noordoosten van Ghana is de noodtoestand begin maart afgeroepen. Daar zijn twee bevol­kingsgroepen met elkaar aan het strijden. Deze mensen hebben generaties lang ‘vreedzaam’ met elkaar geleefd en dan ineens ontvlamt er iets en duldt de ene groep de ander niet meer. Het gaat er dan ook niet kinderachtig aan toe en het heeft al meer dan duizend mensen het leven gekost. Een van de Memisa-artsen uit Dodi Papase vertelde dat zijn ziekenhuis dagelijks tien­tallen gewonden van deze zinloze burgeroorlog te zien krijgt. Het leger probeert de rebellen te ontwapenen, maar nu is men het drinkwater aan het vergiftigen. Je kunt je voorstellen hoe dit alles kan escaleren. Actie-wraak-tegenactie. Op zich hebben deze groepen het niet gemunt op buitenlan­ders, maar als ze zich bedenken dat hun probleem wereldnieuws kan worden als ze de buitenlanders er wel in betrekken dan wordt het anders. Je kunt er natuurlijk niet dagelijks bij stil staan, en de onlusten zijn ver van ons, maar ik denk dat we alert moeten blijven voor gevaarlijke situaties en dan nog kan je de pech hebben zoals Eelco, Karin en Zita.

De laatste keer dat ik geschreven heb ging over de oriëntatiecursus en m’n oriëntatiestage in het ziekenhuis. Gelukkig is het goedbevonden dat ik de stage in ons eigen ziekenhuis kon doen en vorige week heb ik dan ook m’n registratienummer gekregen en mag nu officieel werken. Dat deed ik dus al. Na m’n stage heb ik 2 maanden op de kinderafdeling gewerkt en per 1 januari zit ik voor vast op de kraamafdeling. Het is een hele dynamische afdeling: een combinatie van verloskunde/­kraam, zwangerschapsklinieken en nazorg. Ik ben zelf geen verloskundige maar de interesse is er altijd wel geweest. Gelukkig zijn er een aantal zeer ervaren midwives (verloskun­digen), dus denk niet die rommelen daar maar wat aan.

Mijn taak is meer het superviseren van de afdeling, zorgen dat orders uitgevoerd worden en dat de patiënten goede zorg krij­gen. En daar komt het conflict om de hoek. Wat is goede zorg en hoe moet er gewerkt worden. Daar botsen waarden en normen. Niet alleen mijn waarden en normen en die van mijn Ghanese collega’s, maar ook die van de Spaanse sisters. Mijn afdeling is het zwarte schaap van het ziekenhuis. Al jaren. En waarom? Omdat de sisters er geen grip op hebben. Geen van hen is een midwife en er is niemand die er permanent de leiding geeft. Daarbij maken de Ghanese verpleegkundigen slim gebruik van deze situatie. Omdat ze meer van het vak weten kunnen ze er ook altijd mee schermen. De sisters die hier niet veel tegen in kunnen brengen gaan op hun beurt in de aanval door van de meest pietluttige dingen een punt te maken. Er komt weinig opbouwende kritiek. Laat staan dat er eens iets positiefs gezegd wordt. En als er een crisissituatie in het ziekenhuis is, wordt altijd maternity als oorzaak aange-wezen. Laatst was er een groot verkeersongeluk. 3 vrouwen zijn er bij omgekomen, één had een miltruptuur. De milt moest verwijderd worden. Ze had zoveel bloed verloren dat ze dringend bloed nodig had. Onze ‘bloedbank’ was leeg. Twee donoren die niet geschikt waren en verder niemand die wilde geven. De vrouw heeft het niet gered. Dat is natuurlijk verschrikkelijk hard. Het heeft natuurlijk te maken met management. Er wordt al jaren gepraat over een goede bloedbank maat het komt niet echt van de grond. Omdat het natuurlijk moeilijk is de vinger op jezelf te rich­ten, wordt er meteen gezegd dat er een bloed te kort is, doordat de maternity te veel bloed uit de bloedbank gebruikt en de familie zelf niet doneert. Wij zouden de familie niet genoeg achter de broek zitten. Nu ik er zelf werk, zie je wat er gebeurt. De verpleegkundigen zitten wel degelijk achter de familie aan. Wat is dan het probleem? Waarom komt dat bloed niet terug? Het systeem werkt als volgt. Als je voor een grote buikoperatie komt, moet je van te voren 1 of 2 zakken bloed van familieleden laten doneren. Is het nodig de zakken te gebruiken, dan staan ze vast klaar. Is het niet nodig dan blijven ze in de koelkast en worden voor emergencies gebruikt. Ook op onze afdeling vragen we familie te doneren, wanneer je verwacht dat er bloed nodig is. Meestal is er op onze afdeling vaak geen tijd om bloed te vragen. Wanneer wel bloed nodig is, dan moet je gebruik maken van de koelkast. Als het om 1 of 2 zakken gaat worden ze nog wel terug gegeven, maar soms hebben patiënten wel 5 zakken nodig voor ze er weer bovenop zijn en waar haal je 5 donoren vandaan? Voor een zak bloed van een familielid betaal je 5000 cedis (Fl 12,50) aan het ziekenhuis en voor een zak bloed uit de koelkast 7000 cedis (Fl 17,50). Dit is voor de handelingen die er aan het bloed verricht moeten worden, zoals de zak waar het bloed in komt met speciaal spul om het bloed niet te laten klonteren, HIV test op AIDS, naalden en infuusslang en de kruistest om te zien of het bloed past bij de ontvanger. Als je dus zelf niet doneert maar het uit de koelkast koopt, is het dus duurder. Waarom dan toch het koelkast bloed? Als je zelf op zoek gaat naar een donor en het is geen naaste familie dan loop je de kans dat je soms wel 6000 tot 8000 cedis moet betalen aan de donor en dan daar bovenop nog eens 5000 aan het ziekenhuis. Je snapt waar men dus voor kiest. Als men bloed gedoneerd heeft en het wordt niet gebruikt, krijgt men 2000 cedis terug. De mensen die dus bloed van buitenaf hebben geregeld en dus 6000-8000 cedis hebben betaald en waarvan het bloed uiteindelijk niet aan de patiënt is gegeven, verliezen daar dus op. Met dit rare systeem werk je in de hand dat mensen niet doneren en eigenlijk doen de mensen dit elkaar aan en vallen er onnodig doden. Hopelijk gaat er heel binnenkort iets veranderen in deze bloeddonor affaire. Er is ons een goede koelkast toegezegd waarin we het bloed zo’n 30 dagen goed kunnen houden. Dan kunnen we actief donorwerving gaan doen bij scholen, bedrijven en andere instellingen, zodat we de koel­kast regelmatig aan kunnen vullen.

Met m’n voorbeeld over het bloed ben ik helemaal afgedwaald van het werk op de afdeling met de Ghanese collega’s en de Spaanse sisters. Natuurlijk zit ik pas 3 maanden op de afde­ling en ben voornamelijk aftastend bezig. Wat willen de sis­ters, wat willen de verpleegkundigen? Ik voel me constant een buffer tussen de twee groepen. Hoewel je het niet altijd met beide partijen eens hoeft te zijn kan ik het aardig met ze vinden. Bij de sisters ging dat als vanzelfsprekend. Dat heeft te maken met verwachtingen beiderzijds. Je zit er toch om er het beste van te maken. Met m’n Ghanese collega's ging dat anders. Eerst werd ik beschouwd als de verlengde arm van de sisters dus ‘oppassen’. Ik pro­beerde dit van het begin af aan te doorbreken door zaken die mijns inziens anders konden als open vraag in de groep te gooien. Dat was even wennen want een vraag werd meteen beant­woord met "yes, sister. We will do so". En dan moest ik meteen weer reageren met nee ik vraag of het een goed idee is of hebben jullie een beter plan. Ik realiseerde me niet meteen dat als je dat niet gewend bent, zo’n vraag ook moeilijk of zelfs bedreigend over kan komen. De bijdehandste verpleegkun­digen vertelden mij dat ik hun beter kon vertellen wat ze moesten doen, “zo zijn we dat gewend, en als we het doen zoals wij denken dat het goed is, wordt het toch meteen afgekapt”. Nou ga er maar aan staan. Ik moet toegeven ik heb nooit lei­dinggegeven aan een afdeling. Ook in Nederland leek me dat niet het makkelijkste, maar daar maak je het je leidinggevende wat makkelijker met inspraak en open discussies. Ach, ik weet niet hoe ik het allemaal op papier moet zetten. Uiteindelijk vind je toch wel je maniertjes om de mensen vertrouwd met je te maken. Veel interesse tonen in hun werk, hun moeilijke omstandigheden en vooral ook wat van je zelf te laten zien en kakra-kakra (slowly-slowly) begint het te komen, maar ik juich nog niet. Ik hoop dat we daadwerkelijk een goed draaiende afdeling kunnen worden, in ieder geval eentje waarin iedereen kan functioneren.

Hoe gaat het verder met ons? Wat de gezondheid betreft gaat het goed. Niet zoveel ziektes meer gehad als het eerste half jaar. Koen heeft na die ene astma-aanval geen aanval meer gehad, maar blijft nog wel een gevoelige huid houden en heeft dan ook nog altijd huiduitslag. Hij heeft hier zelf geen last van. Douwe heeft onlangs malaria gehad en is daar goed van hersteld. Gerard is nooit ziek, heeft daar ook geen tijd voor. Wel heeft hij door de tempera­tuurswisselingen last van allergie, veel niezen en snotteren dus. Ik ben zelf ook niet meer ziek geweest, sinds november, behalve gisteren toen ik ineens geveld werd door koorts, maar dat was vanmorgen weer over. Ik moest van de sisters thuisblijven om uit te rusten, vandaar dat ik nu wat tijd heb om te schrijven.

Wat het sociale leven betreft hebben we wel redelijk onze draai gevonden. We hadden goed contact met onze buren, Dr. Ring en familie. Ook Douwe en Koen waren stapel op hun kinde­ren en andersom. Helaas voor ons en ook voor het ziekenhuis, maar gelukkig voor hen, zijn zij vorige week vertrokken naar Canada. Dr. Ring was Soedanees en Liberiaans vluchteling. Hij had het enorm naar z’n zin in Ghana en wilde niet echt weg, maar als je al twee keer een oorlogssituatie hebt meegemaakt en je hebt nu de keus een nationaliteit te krijgen in een land, waar het politiek stabiel is waar kies je dan voor..

Douwe en Koen trekken nu veel met elkaar op en kunnen elkaar goed aan. Het is leuk te zien/horen hoe Douwe zich al ver­staanbaar weet te maken in ‘t Engels. En als hij het Engelse woord niet weet dan verandert hij het Nederlandse woord van klinkers, dan klinkt het in ieder geval anders. Eerst konden we nog wel eens bepaalde dingen die niet voor z’n oren bestemd waren in het Engels bespreken, maar dat kan nu niet meer. Douwe vangt alles op. Ook Koen begint te praten. Bij hem is het een mengeling van Nederlands, Engels en Twi. Koen kan zich eindeloos vermaken met tekeningen maken, duplo, de bal en water. De voordelen van kinderen beginnen nu ook te komen. Douwe dekt ‘s morgens voor ons de tafel. Koen is de eerste die op z’n stoel zit, als er wat te eten valt. We moeten dan ook wel uit bed komen. Ze blijven dan roepen: “kom ontbijten” en Koen “broooo”.

Zo, dat was het voor deze keer weer. Wij blijven uitkijken naar jullie brieven, ook al denk je dat je niets te schrijven hebt of niet kunt schrijven. Nana Adankwa I zal volgende keer jullie weer over het wel en wee in z’n dorp op de hoogte stellen en wat er met jullie donaties gaat gebeuren.

We wensen jullie een mooie lente.

dinsdag 28 december 1993

4. Chief Nana Adankwa I

In deze rondzendbrief wil ik iets meer vertellen over m'n werk. Het kost me moeite om wat tijd te vinden om een brief te schrijven en dat is ook de oorzaak dat er bijna geen brief de deur uitgaat. Mijn werk slurpt bijna al mijn tijd en energie op. Als dat al niet door het werk gebeurt, dan kunnen Douwe en Koen er ook wat van. Het lijkt wel of ze een ingebouwd wekkertje hebben, die op kwart over vijf staat. Dat is de tijd dat ze meestal wakker worden, net voordat het licht is. Als de ene wakker wordt dan wekt die de andere en begint het leven hier. Het is nu ook nog voor 6 uur wanneer ik dit schrijf en Douwe en Koen heb ik voor de televisie gezet. Het zijn anders wel twee heerlijke deugnieten.

Vier dagen in de week werk ik in het district. Ik ben hier aangesteld als district medical officer, en verantwoordelijk voor de gezondheidszorg in het district. Dat is vooral een managementtaak. Ons district ligt qua grootte ergens tussen de provincie Utrecht en Groningen. Foso ligt aardig in het midden van het district. Het is een klein stadje met zo'n 15.000 inwoners. Alle andere plaatsen hebben minder dan 5000 inwoners. Het is dus een district met kleine dorpjes. Om in de uithoeken van het district te komen moet je meestal 50-70 km afleggen. De wegen zijn redelijk goed. Een asfaltweg kruist het district. De overige wegen zijn ‘dirt roads’, redelijk begaanbaar. Er zijn natuurlijk altijd gebieden, die je alleen kan bereiken met een 4-wheel drive en die met hevige regens onbereikbaar worden. We gaan nu de droge tijd in. De laatste twee weken hebben we geen regen meer gehad en het begint ook (nog) warmer te worden. De harmattan, de woestijnwind, is er nu. Alles wat vochtig en klam was, wordt droog en wordt bedekt met een laag stof.

De gezondheidszorg in ons district is opgedeeld in verschil­lende lagen. Allereerst is er het ziekenhuis in Foso (level C). Dit is een ziekenhuis met ruim 100 bedden. Hoewel dit de helft is van de bedden in Chilonga, is het hier een stuk drukker. Er worden bijvoorbeeld 4-5 keer zoveel operaties gedaan. Het meeste van deze operaties worden gedaan door m’n twee collega's. Dit zijn Ring, een Soedanese gynaecoloog en Amoussou, die uit Benin komt. Een internationale club dus. Ring is na veel omzwervingen hier terecht gekomen. Gevlucht voor de burgeroorlog in Soedan, kwam hij in Ierland terecht, waar hij de gynaecologieopleiding deed. Daarna werkte hij een aantal jaren in Liberia. Destijds een welvarend land, maar toen de burgeroorlog daar drie jaar geleden uitbrak, moest hij alles achterlaten en kwam hij uiteindelijk in Ghana terecht. Ikzelf werk slechts een dag in de week in het ziekenhuis en heb eens in de drie weken een week nachtdienst en weekend­dienst. Genoeg om toch nog wat klinisch bezig te blijven. De level B klinieken zijn de health posts. Dit zijn klinieken met een medical assistant, een aantal verpleegkundigen en verloskundigen. Er zijn er 7 in totaal, verspreid over het district.

Om gezondheidszorg beter bereikbaar te maken voor de mensen in de dorpen is 15 jaar geleden het concept van Primary Health Care ontwikkeld. PHC poogt gezondheid te verbete­ren door o.a. samen met de bevolking de gezondheidszorg te ontwik­kelen, met vooral de nadruk op preventie (goed drinkwater, sanitaire voorzieningen, etc.). Ook in Zambia werd geprobeerd deze vorm van basisgezondheidszorg op te zetten, maar dit kwam totaal niet van de grond. In Ghana loopt dat een stuk beter. Dorpen zijn hier veel beter georganiseerd. In een aantal dorpen in ons district bestaan dorpsgezond-heidscommittees of zijn onlangs opgericht. Deze hebben op hun beurt twee mensen geselecteerd, die getraind zijn als dorpsgezondheidswerkers. In totaal zijn er het laatste jaar bijna 100 mensen gedurende 5 weken getraind. Ook hebben deze committees een klein kliniekje gebouwd, meestal bestaande uit twee ruimtes (level A). Mijn taak de afgelopen maanden was om de training van deze dorpsgezondheidswerkers te superviseren, training te geven aan de dorpsgezondheidscommittees, de kliniekjes te inspecteren en deze uiteindelijk officieel te openen. Bijna alle 40 kliniek­jes zijn nu geopend. De opening is elke keer weer een feeste­lijke gebeurtenis. Het neemt een hele dag om het programma van dans en muziek, het brengen van plengoffers aan de voorouders (pooring of libation), toespraken, geld inzamelen en eten af te werken. Sommige verafgelegen dorpen hadden een generator en grote geluidsinstallaties gehuurd en de scratch muziek dreunde door de bush. Bij één opening was de GBC (de Ghanese NOS) uitgenodigd en kwam de opening in het nieuws.

Bij de opening van de kliniek in Ngresi/Darmang ging het er wel heel speciaal aan toe. Die dag waren Florence en Douwe ook mee. Men had mij van te voren gezegd dat men me chief wilde maken, maar deed daar nogal lacherig over. Ik dacht dat ze het als grap hadden bedoeld, maar op die dag bleek men bloedserieus te zijn. De paramountchief, de hoogste chief uit het district, was ook uitgenodigd en aanwezig. Op een gegeven moment nam iemand me op de schouders en droeg me het dorp door. Ik werd met poeder bestrooid en was helemaal wit. Een nieuwe chief moet eerst gevangen worden. Daarna moest ik me omkleden en kreeg een groot kleurig kleed om me heen, van een speciaal soort stof gemaakt (Kente). Verder moest ik ook chiefschoenen aan en kreeg een gouden ketting om m’n hals. Ook Florence werd zo uitgedost als ‘Queen mother’. Vervolgens werden Douwe en ik in een palankijn=draagstoel (ik moest het woord ook opzoeken) op schouder-hoogte rondgedragen door het dorp. Een grote para­sol hing boven de palankijn. Drie grote drummen gaven het ritme aan en al deinend in die stoel en zwaaiend met een zakdoek kwamen we weer terug bij de paramountchief. Daar moest ik de eed van trouw afleggen. Met een groot kapmes in mijn hand heb ik gezworen dat ik het dorp zal helpen, ‘whether rain or shine’ (onafhankelijk van regen of zonneschijn). Het is een grote eer om als chief geïnstalleerd te worden. Ik ga nu verder door het leven als Nana Adankwa I, okoswohene (chief voor ontwikkeling) van 9 dorpen, die samen Adankwaman genoemd worden. Naast de eer zijn er ook verplich-tingen. Men wil natuurlijk dat ik me voor een aantal ontwikkelingen in het dorp inzet en hoopt dat ik ook wat geld binnen kan brengen. Het is verder ook erg boeiend om een dorp van zo dichtbij te kunnen volgen. Binnenkort ga ik met het dorpsgezondheidscom­mittee zitten om te kijken wat men het meest nodig heeft. De Nederlandse ambassade heeft al aangegeven dat er wel geld is voor sommige activiteiten, maar ik wil ook graag een beroep op jullie doen om dit dorp te steunen. Het gironummer is hiervoor opengesteld. Ik zal jullie op de hoogte houden van de ontwikkelingen.

Tot zover iets over m'n werk. Het is heel interessant. Nu er een bepaalde gezondheidsstructuur is, geeft dat gelijk ook allerlei mogelijkheden, om de districtsgezondheidszorg verder te ontwikkelen. Ik moet me wel wat inhouden anders kan ik er ook in verdrinken.

Nog even een terugkerend onderwerp van de nieuwsbrief: de ziekenboeg. Deze is nu weer leeg, maar drie weken geleden waren Florence en Koen ‘down’ met malaria. Vooral Florence was daar flink ziek onder en heeft 5 dagen met hoge koorts in bed gelegen. Uiteindelijk heeft de quinine z’n werk gedaan. Verder hebben Douwe en Koen allebei een huiduitslag met blaasjes gehad (geen waterpokken).

De december maand is ook weer bijna achter de rug. Eerst hebben we het Sinterklaasfeest bij de ambassadeur in z’n tuin in Accra gevierd. De echte Sint was er met een aantal zwarte Pieten, die de kadootjes uitdeelden aan de rand van het zwem­bad. Echte pepernoten, gevulde speculaas, en taaitaai! Douwe had zich al weken verheugd op die dag. Daarna kwam Roelof nog eens met een koffer vol sinterklaas- en kerstkadootjes, zodat we nog eens twee pakjes avonden hadden. De kerstdagen hebben we in Berekum doorgebracht. Dat is hier 4 uur rijden vandaan. Er is daar een grote Memisa kolonie, en hebben samen een leuke barbe­cue gehad. Rest ons nu nog het oud en nieuw. Een Ghanees nieuwjaarsfeest met ongetwijfeld een knallend uiteinde, want de eerste knallen van het buskruit in de bamboestokken vliegen ons al om de oren.

Wij wensen jullie ook al het beste en liefs voor 1994.


P.S. Vergeet niet het Nana Adankwa I fonds.

maandag 18 oktober 1993

3. Met de tro-tro naar de cursus

Dit is alweer de derde rondzendbrief in 4 maanden tijd. Als het zo doorgaat overtreffen we de 20 rondzendbrieven uit Zambia nog. De ervaring leert ook dat je in de loop van de tijd steeds minder schrijft. We zullen zien.
In ieder geval willen we jullie hartelijk bedanken voor alle brieven, kaarten en pakjes die jullie gestuurd hebben. Post blijft voor ons belangrijk omdat het een prettige ondersteuning is tijdens ons verblijf. We kijken er echt elke week weer naar uit.

Ook hebben we ons eerste bezoek uit Nederland: mijn nicht en haar vriend. Beiden zijn medicijnen studenten. Ze lopen zes weken mee in het zieken-huis en district. Het is heel gezellig en ook goed te doen in ons grote huis, want eindelijk zijn we dan verhuisd. Sinds begin september wonen we in wel een beetje groot uitgevallen huis. We hebben het ons al snel eigen gemaakt
De eerste twee maanden die toch dikwijls het moeilijkst zijn hebben we met vallen en opstaan doorstaan. We beginnen ons nu echt thuis te voelen in Ghana en zien het dan ook wel zitten om hier een tijdje te blijven wonen.

Gerard die een lange inwerkperiode en nu dan de overdracht heeft gehad zit al tot over zijn oren in het werk. Er duiken steeds weer problemen op in het district die aangepakt en opgelost moeten worden. Het kost hem veel extra tijd.
Douwe is al helemaal aangepast, hoewel hij het wel zat is dat iedereen altijd maar aan hem wil komen en hem op wil til­len. Na schooltijd komen er vaak wat kinderen met hem spelen en overdag vermaakt hij zichzelf wel aardig. Hij zit wel in een soort peuterpubertijd (als dat bestaat). Hoe daar mee om te gaan is een tweede, dan mis ik nog wel eens positieve adviezen uit mijn omgeving.
Koen is de afgelopen tijd ons zorgenkind­je geweest. Hij heeft nu ook eenmaal een astma-aanval gehad. Hij is er gelukkig wel weer goed uitge-komen. Verder blijft hij maar hitte-uitslag houden over zijn hele lichaam, wat sinds kort ook is gaan jeuken. Dan merk je wel weer dat je beperkt bent in onderzoek en behandelen en het lastig is dat je hem zelf op behandeling moet zetten.

Voor mij zijn er ook wat veranderingen. Ik ben inmiddels aan de slag gegaan in het ziekenhuis.

Als je in Ghana of waar dan ook in de wereld wilt gaan werken als ver-pleegkundige moet je je eerst laten registreren. In Ghana ben ik met mijn papieren wel ‘registrabel’, maar niet zo maar geregistreerd. Daarvoor moet je eerst een oriëntatiecursus voor-in-het-buitenland-opgeleide verpleegkun-digen volgen. Deze cursus bestaat uit twee weken theorie en zes weken praktijk in Accra. Bij de council voor verpleegkundigen en verloskundigen heb ik laten weten dat ik onmogelijk twee maanden van huis kan met twee kleine kinderen. Gelukkig konden ze daar het pro­bleem ook wel zien en zouden ze kijken naar alternatieven maar die twee weken theorie moest ik in ieder geval wel doen. Deze heb ik inmiddels gedaan en was zeker de moeite waard.

We waren met een groep van 28 verpleegkundigen uit alle delen van de wereld. De grootste groep waren Ghanezen die in Nigeria en Groot-Brittan-nië waren getraind. Verder een groep Liberiaanse vluchtelingen, een zuster uit India en verder nog mensen uit de Verenigde Staten, Zwitserland, Duitsland, Schotland en natuurlijk Nederland. Met mij was er nog een andere Nederlandse vrouw die nota bene al op het eind van haar contract zat en alsnog deze cursus moest volgen voor een registratienummer. Waar-schijnlijk om nog wat geld binnen te krijgen, want we moesten een flinke som cedis betalen om deze cursus te volgen. We moesten ook zelf voor transport en onderdak zorgen. Ik kon logeren in een huis van de Spaanse zusters. Het lag ruim 15 km buiten Accra en dus moest ik vroeg op om te reizen, met een taxi of een tro-tro. Dit is een busje waar je met velen in gaat en waar de deur dan nog maar net dicht kan en waar je weer helemaal bezweet uit komt. Wel goedkoop, dertig cent tot in het centrum. De taxi, ook niet altijd comfortabel, maar als je het busje hebt gehad een luxe, is drie keer zo duur en doet er net zo lang over als een busje. De taxi’s werken eigenlijk net zo als een bus: van een stop naar een andere stop met een vaste route. Je reist altijd met nog drie andere reizigers. Op zich functioneert het openbaar vervoer wel goed, alleen in de spits is het druk, is het dringen voor een plaatsje en ben je veel tijd kwijt voor een relatief korte afstand. Het was een leuke ervaring om op deze manier door Accra te rijden Je leert de stad zo wel kennen en je maakt nog eens wat mee. Er is altijd wel iemand die een praatje met je maakt. Op een ochtend zat ik in een taxi, muziekje aan, een Gospelsong, de chauffeur was lekker mee aan het zingen en al gauw zongen de mensen naast me ook uit volle borst mee. In Nederland had ik me zeker afgevraagd waar ik nu in terecht was gekomen, maar hier lijkt het er wel gewoon bij te horen. Het had ook wel iets gezelligs en de tijd werd zo een beetje gedood. Ik was meestal toch zo’n twee uur onderweg om van het huis naar het centrum te komen, ‘s Middags was dit meestal wat korter.

De eerste week van de cursus bestond uit theorie, veel over de structuren van de gezondheidszorg in Ghana. Verder wat lessen over veel voorkomen-de ziektes en gezondheidsprogramma’s. Zo hadden we ook les van een socioloog over family planning. Hij vertelde heel boeiend over zijn onder-zoek naar hoe mensen over family planning dachten en wat ze wisten van de verschillende methoden Veel mensen zien in de meeste methoden nade-len. Een van die nadelen was wel heel opmerkelijk: ‘de bijwerking van sterilisatie is onvruchtbaarheid’. Het blijkt wel weer dat er nog heel wat aan gezond­heidsvoorlichting gedaan moet worden voordat een family planning programma zijn vruchten af zal werpen.

De tweede week hebben we verschillende ziekenhuizen bezocht. In het grote Korle-Bu universiteitsziekenhuis kregen we veel gedoneerde prestige objecten te zien. De hartbewaking en de dialyseafde­lingen hadden op dat moment geen patiënten. Wel liepen er veel verpleegkundigen rond. Verder hebben we nog een aantal verpleegafdelingen gezien. Je krijgt wel een aardige indruk hoe groot zo’n zieken­huis is.
We zijn ook nog een ochtend naar een psychiatrisch ziekenhuis geweest. Het zie­kenhuls heeft een opnamecapaciteit van 200 bedden, maar er waren op dat moment 1100 patiënten. Ik werd er wel een beetje triest van zoveel mensen per afdeling te zien met zo weinig personeel. Je kunt je voorstellen dat er van individuele aan­dacht weinig sprake kan zijn en dat het personeel al blij is als ze de afdeling een beetje in toom kunnen houden. Mijn indruk was dat de verpleegkundigen naar omstandigheden toch wel streefden naar een goede zorg. De meeste van de patiënten zijn verstoten door hun familie en zullen de rest van hun leven daar slijten. Er zijn ook afdelingen waar mensen tijdelijk opgenomen worden en na behande­ling en verbetering weer terug naar huis gaan.
Opvallend was dat de vrouwenafdelingen er zoveel schoner uit zagen dan de mannenaf­delingen. Men probeert de patiënten zoveel mogelijk te betrekken bij het schoonmaken van de afdelingen.

Een andere dag hebben we een Health Post bezocht in een sloppenwijk van Accra. We kregen een rondleiding door de ‘wijk’, een stuk strand tegen de gevangenis aan. Op het strand was een dorp van allemaal houten barakken, waar volgens zeggen allemaal daklozen, zwervers, verstotenen en crimine-len wonen die hier met vis­vangst nog wat geld proberen te verdienen. Tussen die barakken was een gebouw wat als een soort kliniek gebruikt werd voor vaccinaties, zwangerschapscontrole. Er waren zelfs een paar bedden voor zie­ken. In het hele gebied was hygiëne ver te zoeken en lag er een hoop werk voor de public health nurse. Zij vertelde echter dat het zeer moeilijk was om deze mensen te organiseren en te motiveren om de proble-men aan te pakken. Er bestaat geen eenheid, er is geen sociale controle zoals je dat in andere dorpen wel ziet, men leeft hier erg individualistisch. Andere problemen hebben waarschijnlijk een hogere prioriteit.
Die dag bezochten we ook nog een kinder­ziekenhuis voor ondervoede kinderen. Wat een contrast met het vorige, terwijl de onderliggende problemen van eenzelfde aard kunnen zijn: armoede. Het gebouw zag er prachtig uit, goed onderhouden. De artsen kenden hun patientjes goed, ook omdat de kinderen er minstens zes weken worden opgenomen. De moeders worden de hele dag bezig gehouden met voeding maken, gezondheids-voorlichting. Er is een speciale afdeling waar gekookt wordt, er is een afdeling waar voorlichting over family planning gegeven wordt en een nut­ritionafdeling waar voorlichting over voeding gegeven wordt.

Soms is iets zo mooi en zo ideaal dat het bijna onwerkelijk lijkt en ook heel ver van de Ghanese samenleving afstaat. Ik heb het over het S.O.S. kinderdorp zo’n 30 km van Accra waar 200 kinderen wonen die geen ouders meer hebben (wezen en vondelingen). De kinderen wonen in een huis, met 6 tot 8 andere kinderen van ver­schillende leeftijd, als in een gezinssituatie samen. Ze worden opgevoed door een pleegmoeder. Elk huis heeft voldoende ruime slaapvertrekken waar 2 kinderen per kamer slapen. Elk huis heeft een ruime woonkamer met televisie en radio. Speelgoed is ruim voorradig. Er is een keuken met vriezer, koelkast en kookstel. Op het terrein is een peuterschool, een lagere school en een middelbare school. Verder nog gebouwen waar men leert koken, naaien en typen. Kinderen van buiten het S.O.S. dorp kunnen tegen flinke betaling ook naar deze scholen. Het hele dorp functioneert volledig op donatie gelden. Elk huis wordt door een land gesponsord. Dit levert natuurlijk wat onderlinge competitie tussen ambassades op. Er is ook een Hollandhuis, met foto’s van windmo­lens, schaatsers en de koningin aan de muur. De apparaten zijn natuurlijk van Nederlandse fabrikaat: Philips.

Terug in Assin Foso ben ik meteen met de praktijkoriëntatie begonnen. Aanvankelijk moest ik dat dus in Accra doen, maar na wat heen en weer gepraat kon ik het in Cape Coast doen. Nog eens 6 weken Accra was te veel geweest vooral voor Douwe en Koen. In Cape Coast hebben we de situatie nog een uitgelegd, dat het toch heel moeilijk te realiseren is met 2 kinderen. Ons voorstel was om de oriëntatie in Foso te doen met een aantal dagen aanvullende oriëntatie in Cape Coast. Maar de persoon die over deze oriëntatie ging vond het allang goed dat ik het helemaal in Foso wilde doen onder supervisie van onze principal nursing officer (P.N.O.) die haar senior was op de uni­versiteit. Samen met Mr. Afful, de P.N.O., hebben we een programma gemaakt en roteer ik op de verschillende afdelingen in ons ziekenhuis. Het was al lang geleden dat ik in het ziekenhuis gewerkt had, maar je zit er ook zo weer in. Ik moet me nog wel even inhouden met aanpakken van bepaalde dingen. Ik merk dat de nonnen als je het voorzichtig brengt er wel voor open staan om dingen te veranderen.
In een volgende brief  zal ik jullie wat meer over het werk vertellen.
Gerard zal nog even iets vertellen over de RTL-affaire.

Zoals jullie misschien al begrepen hadden, zijn de opnames voor een uitzending bij RTL niet doorgegaan. RTL had zich al gebonden aan uitzendingen over het Rode Kruis. De hele voorbereiding was dus een grote flop.


Onverwacht en ongewild zijn wij hier wel in de media terecht gekomen. Afgelopen weekend had ik dienst en werd op zaterdag de Deputy Minister van Binnenlandse Zaken binnengebracht. Hij had in Foso een auto-ongeluk gehad en een arm gebroken. Op zich niet zo’n alarmerende situatie. Met hem was ook nog een gevolg van 30 andere hooggeplaatste personen, ministers en kamerleden. Men was namelijk net terug van een begrafenis van een parlementslid. Dit soort personen eist onmiddellijke behandeling en is zelden tevreden. Op de polikliniek liep het uit op een ruzie tussen een rechter en een van onze nur­ses, Sebastian. Op een gegeven moment zei Sebastian tegen hem “wil je dat ik voor je vlieg”, en toen waren de poppen echt aan het dansen. Sebastian werd bedreigd, het ziekenhuis was natuurlijk waardeloos, en men zou er werk van maken. Dat gebeur­de ook, want dinsdag was het een onder­werp in het parlement, ‘s avonds in het televisie journaal, de volgende ochtend op de radio en in de krant. De Minister van Gezondheid eiste een onderzoek en ook het district stelt een onderzoeks-commissie in. Er zijn veel onterechte beschul­digingen gemaakt naar onze kant. Als zie­kenhuis hebben we daarom vrijdag een ver­klaring in de districtsraad voorgelezen, die maandag, gisteren, ook in de krant stond afgedrukt. Het ziet er nog niet naar uit dat iedereen tevreden is, dus zal er nog wel een staartje aan dit ver­haal zitten... Wordt vervolgd.

dinsdag 3 augustus 1993

2. Het tropisch regenwoud zie je letterlijk verdwijnen

Wij zijn nu al bijna 2 maanden in Ghana en krijgen wat idee van het leven hier. Wat vooral opvalt, is dat we veel vergelijkingen maken met Zambia. Het zal wel even duren voordat dit referentiekader wegvalt en werkelijk plaatsmaakt voor Ghana.

In Zambia vond ik de mensen zo gelaten. Alles, en dan vooral de problemen kwam over hen heen en men gaf mij daar het gevoel dat men er niets aan kon doen. Ghana is anders. Het bruist hier van de activiteiten. Niet alleen op economisch gebied, maar ook cultureel, sociaal leeft het hier veel meer. Ook op gezondheidsgebied is dat erg stimulerend. Zo worden hier dorps-gezondheidswerkers getraind die in de dorpen kleine kliniekjes runnen, en daarnaast ook preventief bezig zijn. Een groot deel van mijn werk zal zich concen­treren rond een UNICEF-programma, die dit systeem van basis-gezondheidszorg nieuw leven in blaast. Deze structuren heeft men ook geprobeerd op te zetten in Zambia, maar dit kwam totaal niet van de grond. Ik denk vooral door de bovenliggende instelling. De molen draait hier wat sneller en soms hebben we ook wel een beetje heimwee naar de relaxte sfeer in Zambia.

In de grote steden is het een aaneenslui­tende rij van winkeltjes. Wij zijn in Accra en Kumasi, de twee grote steden geweest. Grote supermarkten kom je er bijna niet tegen. Je vindt er straten waar men alleen maar elektronica verkoopt, verderop rijen kledingzaakjes. Het maakt het winkelen vaak wel makkelijk, omdat je zo weet waar je moet zijn. Ook vind je hele gespeciali-seerde winkeltjes. Zo zag ik in Accra een centrum voor boutjes en moertjes. Ik ben helaas niet naar binnen geweest. Ook probeert men vaak een strategi-sche positie in te nemen. Direct naast het grote ziekenhuis in Accra, Korle Bu Hospital, worden de lijkkisten gemaakt en verkocht (‘Coffin market’). Voor een westerling misschien indiscreet, maar hier misschien veel meer in goede harmonie... Bij de verkeerslichten is het ook altijd een druk handelen. ‘s Ochtends worden er de kranten verkocht, ‘s middags zakjes ijswater en koekjes voor de uitge­droogde automobilist, die ook hier in de file staat. Daarnaast worden ook allerlei luxe artikelen zo aan de man gebracht. Ook in Foso zijn honderden winkeltjes. Bijna bij elk huis wordt wel het een of ander (veel hetzelfde) verhandeld. Op deze manier weet men vaak een klein dagsalarisje van 2 of 3 duizend cedi's bij elkaar te sprokkelen, wat omgere-kend nog geen tientje is. Dit is vaak een noodzakelijke aanvulling op de inkomsten in natura die men van een farm/tuin heeft.

Bij ons uitstapje naar Kumasi hebben we een bezoek aan de dierentuin gebracht. Twee leeuwen, een luipaard, apen, schildpadden, slangen en veel vogels waren hier bij elkaar gebracht. Een lekkere wandeling, en vooral Koen genoot erg van de apen. Grote verbazing bij ons over de plek waar ooit een olifantje gehouden werd. Het olifantje was dood en een deel van z’n huid + oren stond als een vogelverschrikker opgesteld in zijn oude kooi.

Een stampende olifant zie je bijna in elk dorp op reclameborden voor politieke partijen staan. Dit is het symbool van de oppositie partij, New Patriotic Party. Deze partij heeft zijn meeste aanhang onder de bevolking in het Westen van Ghana, dus ook in Assin Foso. Bij de presidentsverkiezin-gen van vorig jaar ging echter de meerderheid onder de paraplu staan, het symbool van de National Democratic Congress, de partij van Jerry Rawlings. Het is wel opvallend dat er in elk dorp naast deze beide partijen vaak ook nog andere partijen een kantoor hebben. Een ander opvallend verschijnsel langs de weg is het transport van boomstammen. Het tropisch regenwoud zie je zo letterlijk verdwijnen. Elk uur rijden hier zo ongeveer 5-10 trucks door Foso. Meestal zijn de opleggers geladen met drie grote boomstammen, soms maar een. Laatst heb ik eens naast zo'n grote boom-stam gestaan en kwam de diameter overeen met mijn lengte. Eeuwenoude bomen verdwijnen zo, maar aan de andere kant ook wel begrijpelijk. Hout is een belangrijk exportartikel geworden. Bovendien komt grond vrij voor landbewerking.

Mijn eerste bezoek aan de Nederlandse Ambassade was een teleurstelling. Gewend aan het stukje Nederland in Lusaka, was dit in Accra wel anders. Ik kwam bij het bezoek nog een andere Nederlander tegen, ook een bezoeker. Verder was er een lange rij Ghanezen die allen proberen een visum te krijgen. Op de grond heb ik mijn aanmeldingsformulier ingevuld.

De papiermolen die we in Zambia hadden, is hier uitbesteed. Florence vertelde in de vorige brief dat onze werkvergunningen alleen nog maar een hamerstuk waren, dat is het nog steeds. Onze paspoorten hebben we de eerste week afgegeven aan een non in Accra en die verlengt onze visa steeds. Verder kijken we ernaar uit om onze bagage weer te zien. Een eerste kleine zending is onlangs aangekomen. Alle 9 dozen waren opengemaakt en verschillende dingetjes ontbraken. We wachten in spanning de grote vracht af. Ook kijken we ernaar uit om in ons definitieve huis te gaan. Tot eind augustus verblijven we nog in een kleine woning, met 3 kamers van 3,5 meter in het vierkant. Soms komen de muren op ons af, en gaan we er een weekendje uit, zoals afgelopen weekend. we hebben twee dagen in een hotel in Elmina doorgebracht, aan een palmstrand. Het weer is deze tijd van het jaar niet zo geweldig (bewolkt, lichte regens, wel warm), dus hebben we oude forten langs de kust bezocht. Ook hier hebben de Nederlanders een dubieuze rol gespeeld. Boven de ingang van het Elmina fort, staat de Nederlandse leeuw. In de 17e en 18e eeuw zijn hier miljoenen slaven weggevoerd.

In een volgende brief zal ik wat meer vertellen over m’n werk, waar ik nu langzaam in groei. Ton, die ik ga opvolgen, vertrekt eind van de maand en dat betekent dat er een lange inwerkperiode is. Deze overdracht is erg belangrijk voor de continuïteit van de werkzaamheden, maar soms geeft het je ook wel het gevoel een toeschouwer te zijn.

Met Ton deed ik op een ochtend de ronde door het ziekenhuis toen Florence een brief kwam brengen. De brief was per expresspost verstuurd en kondigde het bezoek aan van twee Memisa-mensen op vrijdag, met tegelijk de vraag een programma voor die dag in elkaar te zetten. De brief had er vier dagen over gedaan en het was inmiddels al vrijdag. Wij vervolgden de ronde, maar binnen 10 minuten stonden de twee Memisa-afgevaardigden voor onze neus. Gekleed in mooie Memisa t-shirtjes, waarop de slogan “Memisa maakt de wereld beter” gelukkig ontbrak. Dat zou hier te veel verwachtingen losgemaakt hebben. Hun missie was echter de komst van een RTL-team eind augustus voor te bereiden. Men gaat in de 5 uur show korte filmpjes uitzenden over Memisa-uitgezondenen, en wil daarmee het tropenwerk meer (positieve) bekendheid geven. Dit is zeker geen oproep om nu de 5 uur show dagelijks aan te zetten, of toch..., wordt vervolgd.

In juli is Koen ziek geweest. Hij kreeg een longontsteking en was een aantal dagen flink ziek. Altijd een extra zorg als gespecialiseerde medische zorg ver weg is of niet voor handen. Gelukkig knapte hij na de tweede antibioticakuur goed op. Zijn verjaardag op 21 juli en ook die van Florence hebben we klein gevierd.  Verjaardagen worden hier sowieso niet echt gevierd. De vele verjaardagskaarten, die ook nu nog binnen komen, geven veel gezelligheid aan de huiskamer.


Douwe heeft al veel vriendjes. Soms lijkt het wel een kinderklasje als de buurkinderen hier spelen. Ook de kinderen van 10 jaar kunnen zich prima vermaken met de puzzels en raceautootjes van Douwe. Zijn taal begint nu ook meer te ontwikkelen, soms heel grappig. Als iets het niet doet of stopt dan zegt Douwe dat “het batterijtje op is”, bijv. als hij klaar is met plassen, of als het ophoudt met regenen. Als daarna iets weer begint, dan is “het batterijtje weer opgeladen”, zoals toen hij een tijdje diarree had. Ook komen de eerste Twi en Engelse woorden in zijn taal. “How are you? I'm fine, thank you”. Maar ook Okyena (tot morgen) en Kokoko (klopklop). We zullen onze best moeten doen om het Twi ook snel onder controle te krijgen, anders begrijpen we Douwe straks niet meer. Misschien loopt het ook wel niet zo’n vaart en wordt hij juist onze Twi-leraar.