zondag 7 juni 2026

Den poep en knoet (van archief naar AI)

Ik schreef eerder over stadsarchitect A.T. van Wijngaarden. Deze betovergrootvader was getrouwd met Sijtje Dekema. Vorig jaar benaderde een verre achterneef me met een intrigerende vraag over haar afkomst. Volgens verschillende genealogieën zou Sijtje afstammen van de Friese adellijke familie Van Dekema. Hij opperde zelfs een verband – via een bastaardtak – met Floris van Egmont. Via die lijn zou vervolgens een afstamming lopen naar Bourgondische koningen in de vijfde eeuw. Het klonk bijna te mooi om waar te zijn.

Sindsdien heb ik heel wat uurtjes besteed aan het digitaal zoeken naar bewijsmateriaal. Ruim tien jaar geleden werd over deze kwestie ook al een uitgebreide discussie gevoerd op een genealogisch platform. Inmiddels zijn nog twee nazaten aangehaakt die eveneens willen vaststellen of de veronderstelde connectie werkelijk bestaat, of juist moet worden verworpen.

Omdat de digitale bronnen mij niet verder hielpen, bezocht ik twee weken geleden zelf het archief. Met uiteraard genoeg tijd om weer eens van Leeuwarden en de omgeving te genieten. Ik logeerde in het Fletcher Hotel-Paleis Stadhouderlijk Hof, om alvast een beetje in de sfeer van de royals te komen. Stadhouder Willen IV en zijn voorouders uit het huis Nassau-Dietz woonden hier lange tijd.

Een van de stukken die ik graag wilde inzien, betrof de nalatenschap van Hans Jurjens Swart, die op 11 juli 1698 was overleden. Een van de getuigen was Simon Ebbes Decama, brouwersgezel te Leeuwarden en een bewezen verre voorouder Dekema.

Het gerechtsboek uit 1696.
De letters SPQR zijn wellicht bekend: Senatus Populusque Romanus.
SPQL is de Leeuwarder variant: Senatus Populusque Leovardiensis ("de raad en het volk van Leeuwarden")

Het register werd uit het depot gehaald, maar de zeventiende-eeuwse tekst bleek nauwelijks leesbaar. “Geen probleem”, zei de medewerker. Tegenwoordig bestaat er software, zoals Transkribus, die oud handschrift verrassend goed kan ontcijferen. Hij wilde het wel even proberen. Binnen enkele minuten had ik het transcript in m’n mailbox. Leesbaar, maar nog steeds lastig om daar een verhaal uit te construeren.

Ook dat is tegenwoordig geen groot probleem meer. Met hulp van AI kan zo’n transcript in no-time worden omgezet in een lopende tekst. Je moet wel een beetje regie houden. De eerste versie vond ik te vlot, te modern. Daarom vroeg ik AI dichter bij het origineel te blijven. Bijkomend voordeel is dat AI je spontaan uitleg geeft van zeventiende-eeuwse woorden en begrippen die wij niet meer kennen. Hieronder het ingekorte verhaal met bijzondere nadruk aandacht voor de getuigenis van Simon Decama:

In de zomer van 1698 stierf in een steegje van de stad Leeuwarden Hans Jurjens Swart, schoenlapper, geboren te te Mullem (Mülheim), “drie uur boven Ceulen”. Hij had bijna twintig jaar lang gewerkt en gewoond in de potkast van brouwerse Ytie Reins. Familie had hij nauwelijks meer. Op zijn sterfbed verklaarde hij dat hij slechts nog een broer had, "van wie hij niet wist of die nog levend of dood was".

Tien dagen na zijn overlijden opent het stadsbestuur een officieel onderzoek naar zijn nalatenschap. Burgemeester Epæus Wielinga laat meerdere getuigen onder ede verhoren.

Eerst worden Jan Roelofs, turfdrager, en zijn huisvrouw Dirckjen Gerrits gehoord. Zij hadden een jaar bij Hans in diens woning ingewoond. Jan verklaarde dat hij met Hans gesproken heeft tijdens diens ziekte, over de beschikking van zijn nalatenschap, omdat "hij soo een ongemeen [ongewoon] gewoon besoeck van paepsgesinde [katholieke] lieden in die tijt bij sijn bed had." Daarop gaf hij [Hans] ten antwoord: “Sij beminnen mij om mijn goet, maer aen de persoon is haer weinigh gelegen.”

Dirkje verklaarde dat ook andere bekende en onbekende katholieke personen bij hem van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat over de vloer kwamen. Zij sprak ook met de buurvrouw Acke, die eveneens het katholieke geloof aanhangt, over de ziekte en de aardse bezittingen van de genoemde Hans. Zij ontving van deze Acke als antwoord: "Indien hij geen testament maeckt, soo is sijn ziel niet verzorgt." Ook heeft deze vrouw (Acke) de genoemde Hans tijdens zijn ziekte vaak alleen bezocht, hoewel ze er anders werkelijk nooit over de drempel kwam.

Simon Ebbes Decama, brouwersgezel, 24 jaar oud, gedagvaard, beëdigd en ondervraagd, getuigde dat hij veertien dagen geleden in de namiddag — als een goede vriend en op verzoek van Hans Jurjens Swart — door zijn hospita Ytie Reins bij diens ziekbed is geroepen. Deze Hans had jarenlang als schoenlapper gewerkt in de 'potkast' (de kelderruimte of kast onder de trap) van deze Ytie Reins.

Hans vertelde de getuige toen met een lachende mond hoe hij kort daarvoor door een kapelaan zelf was benaderd over zijn aardse bezittingen. Hans had die kapelaan daarop geantwoord: “Nu de poep en knoet goet heeft, nu kent men hem wel. Maer dat soud niet soo zijn geweest als hij slechts een stuk brood nodig had gehad; dan sou men den poep en knoet niet hebben gekent.”



De kapelaan had hem daarop gevraagd: “Wel, wil je dan niet Catholics sterven?” Wat Hans daarop heeft geantwoord, “ware hem getuige uijt de memorie gegaen.” [Een formulering die Marke Rutte deze week tijdens de parlementaire enquêteverhoren wellicht ook goed kan gebruiken...]

Een week later wordt Ytie Reins gehoord. Zij had hem gevraagd of de katholieke bakker Dingnum Allerts wellicht zijn erfgenaam zou worden. Hans antwoordde daarop kort en krachtig: “Dingnum sal der niet een hontsvot van hebben.”

Toch lijkt de voortdurende druk hem zwaar gevallen te zijn. Nadat geruchten de ronde deden dat hij inderdaad een testament had opgesteld, vroeg Simon Decama hem rechtstreeks of dat waar was. Hans zou toen zuchtend hebben geantwoord: “Ja Broertie lieff, men heeft niet eerder rust…

De bronnen geven geen volledig antwoord op wat er uiteindelijk met de nalatenschap gebeurde, maar suggereren dat die naar de armen ging. 

Rechts het stadscafé dat tegenwoordig is gehuisvest in de voormalige apotheek van Aebe Hendricks in Dokkum.

Simon was later succesvol als meester-brouwer in de stad Groningen. Zijn vader, Aebe of Æbe Hendricks, is ook bekend, al wordt de familienaam Decama bij hem niet genoemd. In 1671 wordt hij voor het eerst gemeld als apotheker in Dokkum. Of deze familielijn uiteindelijk door te trekken is naar de Van Dekema's, zal nog wel heel wat zoek- en graafwerk vergen...

dinsdag 2 juni 2026

Expositie

Opdracht kies een favoriete schilder/schilderij en schilder het na (acryl).
Ik koos voor de Boerderij bij Duivendrecht van Piet Mondriaan. 

De AOW, de Algemene Ouderdomswet werd in 1957 door Willem Drees ingevoerd, twee jaar voordat ik geboren werd. Vanaf die tijd kregen mensen op 65-jarige leeftijd hun AOW. In 2013 werd de AOW-leeftijd verhoogd naar 66 jaar en daarna in stappen naar 67. De komende jaren stijgt de AOW-leeftijd verder, vanwege de toegenomen levensverwachting. Daar zit een logica in. Maar het is niet correct om de AOW-leeftijd één-op-één te laten stijgen met de levensverwachting zoals het kabinet Jetten wil(de); extra jaren laten zich niet zo eenvoudig vertalen naar extra arbeidsproductiviteit.

Ik ben ook in de nazomer van mijn leven gekomen. De rijksoverheid is onverbiddelijk: je stopt op je 67ste. Ik vind het niet erg. Sterker nog, het is eigenlijk best fijn. Meer tijd om nieuwe dingen te leren, met zo nu en dan misschien nog een leuk tbc-klusje.

Die tijd moet je natuurlijk wel invullen. Daarom ben ik vorig jaar begonnen met tekenen en schilderen. Elke woensdagmiddag hebben we twee uur les in de Garenspinnerij, een mooi industrieel gebouw in de binnenstad van Gouda. De cursus is voor beginners. Van de twaalf cursisten zijn er – net zoals ik – meerdere (bijna) pensionado die nog nooit eerder hebben geschilderd.

Van echt les is eigenlijk geen sprake. Pepijn, onze docent, stuurt aan het begin van de week een Whatsappbericht met de techniek die we die week gebruiken en wat we daarvoor nodig hebben: houtskool, acrylverf, aquarel- of tekenpapier. In de les kiezen we vervolgens uit een aantal voorbeelden en gaan aan de slag. Tijdens de les loopt Pepijn rond en geeft wat persoonlijke tips. Dat werkt voor mij prima. Na 25 lessen durf ik mijn werk in deze blog wel eens laten zien: mijn eerste expositie!

Eerste les: kubus, cilinder en sneeuwbal (houtskool)

Kwal (houtskool)

Eerste stapjes met acrylverf

Afrikaanse markt (acryl)

Strand in Oman (acryl).
De opdracht was om te schilderen zonder kwast. Ik heb de palmtakken met een tandenborstel geschilderd en ben hier bezig met een tandenrager.
Begin 2016 stond in het teken van aquarel, een spannende techniek!

Hoge Boezem achter Haastrecht (aquarel)
Kruik, kan en appels - stilleven (aquarel)

En perspectief tekenen:

Spelende kinderen in de Jordaan (aquarel)

Museumhaven Gouda bij volle maan (acryl). Links ligt mijn werk. 
Fazant (collage).
Knippen en plakken! De snavel is een uitgeknipte trouwjurk, de gele rand zijn grafzerken.

Opdracht: schilder iets/iemand waar je gelukkig van wordt op een houten plankje van 10x11 cm (acryl)

Laatste les: schilder bomen op een velkleurige achtergrond (acryl). Rechts mijn werk.

maandag 2 maart 2026

Sea Ice Classic, Luleå

Al weken volg ik de temperaturen in Luleå. De meest noordelijke stad in Zweden, gelegen aan de Botnische Golf, de noordelijke bocht van de Oostzee. Het pensioen dient zich aan. Ik heb meer tijd om nog een paar sportieve uitdagingen aan te gaan. Eén daarvan: nog één keer een langeafstandstocht.

In 1987 schaatste ik de Noorderrondrit in Groningen. 150 kilometer. Alle stempeltjes waren binnen, dacht ik. Tot er vlak voor de finish nóg een geheime stempelpost opdook. De stempelaars waren onverbiddelijk. Het groepje waarin ik schaatste was te laat. We konden over de weg naar Baflo, werd gezegd. Dat was natuurlijk geen optie. In het donker schaatsten we door naar de finish. Maar het kruisje kregen we niet.

Ik wilde zo’n lange afstand nog wel eens schaatsen, zoals elk jaar op de Weissenzee wordt gereden. Vorig jaar werd ik daarom lid van de IJsclub in Boskoop, waar ik mijn conditie probeerde te verbeteren met skeelerlessen. Ik was veruit de oudste. Mijn houterige techniek stak schril af tegen de diepe zit van de jonge inlineskaters. In de zomer hield ik het voor gezien.

Toen de kunstijsbaan in Utrecht openging, startte ik vol enthousiasme mijn rondjes. Te enthousiast. Na de eerste training voelde ik mijn rechterbovenbeen al protesteren. Te veel rondes, te veel pootje-overs. Ik ging wat rustiger trainen. Op de baan in Utrecht las ik ook over een bijzonder evenement: de Sea Ice Classic in Luleå. Schaatsen op zee-ijs. Dat leek me wel wat. En daar zijn wij nu.


De zoute zee ligt hier al maanden dicht. Een ijsvlakte van 75 centimeter dik. Temperaturen waren wekenlang -20 graden ’s nachts en -15 overdag. Ik had extra thermokleding gekocht voor een barre tocht. Dinsdag arriveerden we in een winterwonderland. Een witte deken bedekte het land en ook de straten. Aan zout strooien doet men niet, geen beginnen aan. Wel zijn er continu sneeuwschuivers aan het werk. 


De temperatuur liep in een paar dagen snel op. Op vrijdag, onze schaatsdag, is het nog maar -5 graden, met nauwelijks wind. Ideaal schaatsweer. Ik had me (te) goed ingepakt, thermobroek en daarover twee schaatsbroeken; 3 thermoshirts en 2 schaatsshirts, dubbele handschoenen. Koud heb ik het in ieder geval niet gehad.


De eerste rondjes gaan voorspoedig. Het ijs is goed, maar het blijft wel natuurijs. Scheuren zijn onvermijdelijk, dus goed opletten. Soms behoorlijk diep, te herkennen aan het laagje sneeuw dat erin ligt. Ook vaak luchtijs: belletjes onder het oppervlak die tijdens de koers uitgetrapt worden.

Uitgetrapt luchtijs

De derde ronde rijd ik op met “Postuma”, tenminste, dat staat op zijn shirt. Bij de doorkomst wisselen we een paar woorden en kijk ik even naar op zij. Mijn rechter schaats schiet in een diepe scheur. Daar lig ik. Op mijn rechterheup. Shit.

En het blijft niet bij die ene keer. Een paar rondes later verlies ik mijn evenwicht op luchtbelijs. Ik probeer nog te corrigeren, draai een pirouette, maar eindig op mijn rug. Precies op de transponder die ik in mijn schaatsshirt had gestopt. Ik voel hem in mijn rug drukken en hap naar adem. Na weer een paar rondes val ik voorover en schuif met mijn borstkas over het ijs.

Bij de doorkomst worden mijn pauzes langer. Bijkomen met erwtensoep, een tosti of een worstenbroodje. En vooral de zoete energiedrankjes. Op de bankjes schuiven andere schaatsers aan en we praten wat. Gesprekjes met heel aardige mensen. Het geeft me energie om weer door te gaan.

Vooraf wist ik al dat de 100 kilometer in acht uur voor mij niet te doen was. Maar 50 vond ik te weinig voor zo’n verre reis. Mijn doel lag ertussenin.

Als ik nog twee rondjes van 8,3 kilometer moet om die 75 vol te maken, overweeg ik om te stoppen. Ik schaats verkrampt door de vele valpartijen. Eerst maar een ronde zonder kleerscheuren doorkomen, pep ik mezelf op. Die ronde haal ik, met nóg een val. Ik vrees dat ik het record “meest gevallen deelnemer” op mijn naam heb gezet. De schade valt mee. Het pak is in ieder geval nog heel.

Het begint te schemeren als ik aan mijn laatste ronde begin. Sneeuw dwarrelt al een paar rondes zacht naar beneden. De scheuren worden moeilijker zichtbaar en ik val nog eens. Dit keer gewoon van vermoeidheid. Twee mannen stoppen. “Hoe ver zit je?” “Zeventig.” “En jullie?” “Wij 160”. Ze zijn om 6 uur gestart voor de 200 kilometer. Een van hen adviseert om de kortste weg naar de finish te nemen. “Ik herken wat je hebt”, zegt hij.

Ik blijf nog even op de sneeuwrand zitten. Dan sta ik weer op om de ronde uit te schaatsen. Op 2 kilometer van de finish eet ik nog een energiebar.  Het gelletje dat naast mijn transponder zat, heeft de klap op mijn rug niet overleefd. Die was eigenlijk bedoeld voor dit moment. En ik wacht op de sneeuwschuiver die de scheuren weer zichtbaar maakt. Vallen wil ik niet meer. Niet op de beurse heup, niet op mijn rug.

Dan is daar de finish.

Voorzichtig schaats ik richting de bankjes bij de tipitenten. Extra alert bij de scheur die mijn eerste val veroorzaakte. Ik vraag een vrijwilliger of ik even op hem mag steunen. Nog een val overleef ik niet.

Met de super-behulpzame vrijwilligers
Mijn hel van Noord-Zweden zit erop. Zwaar door de valpartijen. Prachtig door de winterse omgeving. Met veel dank aan de goede organisatie en de vrijwilligers.

Er zijn alleen medailles met 200, 100 en 50 kilometerinscriptie. Ik krijg de 100 kilometer omgehangen. Die heb ik vandaag meer dan verdiend.

In Luleå is veel meer te zien en te doen dan schaatsen. ’s Avonds verschijnen de mystieke sluiers van het noorderlicht aan de hemel. We maken een hondensleetocht door het besneeuwde landschap, onder een opkomend zonnetje. De husky’s voor onze slee maken met luid geblaf duidelijk dat ze er zin in hadden. Tijdens een sneeuwschoenwandeling trekken we een spoor over de maagdelijke sneeuw. Onze gidsen zij allemaal jonge avonturiers uit Duitsland, Tsjechië, Spanje en Schotland. Ik snap wel waarom ze zich hier thuis voelen in deze ruimte, deze eindeloze wijdte.

Hieronder een paar beelden van het noorderlicht, onze hondensleetocht en de sneeuwschoenwandeling.


maandag 15 december 2025

Nizwa, Green Mountains en Wadi Shab

M’n laatste dag in Oman. Ik zit in een restaurant aan Qurum Beach (in Muscat) met een prachtig uitzicht over de zee. Zo begin van de middag is er bijna niemand op het strand. Te warm. De zonnestralen zijn heel scherp. Mensen die niet in restaurants zitten, zoeken de verkoeling onder de palmbomen. Ik blijf hier nog even om de zonsondergang te zien. Die moet ook mooi zijn. Daarna brengt de Mubarak, de chauffeur van het ministerie, me terug naar het hotel. Hij brengt me morgen ook naar het vliegveld. Er wordt goed voor me gezorgd.

Maar ook zonder die steun kun je goed je weg vinden in Oman. Ik heb twee trips gemaakt via GetYourGuide, een internationaal boekingskantoor. Ali, de chauffeur, stond vrijdag al om 6 uur voor het hotel voor een lange dagtrip. Er was nog één andere passagier, een 24-jarige Chinese vrouw die in Dubai werkt met crypto’s en eigenlijk alleen maar wilde slapen op de achterbank. In Nizwa, 130 km van Muscat, bezochten we eerst de veemarkt. De veeboeren liepen rondjes met een geit of koe, om kopers te interesseren. De dieren raakten behoorlijk opgefokt. Op een onbewaakt ogenblik kreeg ik ook een beuk van een koe. 

Daarna naar de soek voor de dadels en naar het oude fort waar Omaanse mannen, jong en oud, dansten en zongen. Allemaal heel gemoedelijk. Een goed uitje voor een zondag, want de vrijdag is hier de zondag. 

Na de lunch gingen we naar Jebel Akhdar, de “Green Mountain”. Wat een fantastisch uitzicht. De hoogste top is 3000 meter. En bizar, dat hier, op deze hoogte en met deze hitte, een ultra-run wordt gehouden van 120 km over oneffen paden.

Ultraloper uit Kuweit die er nog behoorlijk fit uit zag na 29 uur lopen over de 120 km.
Ik had hier graag een week willen bivakkeren. De Chinese alleen als er Wifi aanwezig was. Zij was voortdurend in gesprek met China en heeft weinig van de reis meegekregen.

Gisteren maakte ik met een grotere groep een trip naar Wadi Shab. Een wadi is een rivierbed. De meesten staan droog. Wadi Shab niet. Je moet wel een uurtje rijden vanuit Muscat. Eenmaal daar loop je eerst nog 45 minuten door een kloof van oranje rotsen en kom je bij de turquoise wadi aan. Het water is ondiep, maar een zwemvest is wel prettig omdat je gemakkelijk uitglijdt over de gladde stenen. Na een kwartiertje zwemmen, kom je bij een smalle spleet in een rotswand. Met wat passen en meten gaat je hoofd er net tussen door. Op de terugweg bleef m’n hoofd wél steken en zocht ik het ruimere sop door kopje onder te gaan. Gelukkig werkte het waterdichte hoesje van mijn iPhone prima!

Vandaag nog een bezoek aan de Grote Moskee.
Grappige foto door de chauffeur Mubarak.


donderdag 11 december 2025

Omani in witte gewaden en zwarte jurken

De uitgestoken hand werd niet geaccepteerd. Ik had het moeten weten: in Oman gelden andere omgangsvormen dan bij ons. Mannen lopen in lange witte gewaden (dishdasha) en dragen een kleurrijke tulband (musar) of een geborduurd mutsje (kuma). Vrouwen zijn gehuld in zwarte jurken (abaya) met een hoofddoek (lihaf of hijab). Heel soms zie je iemand met een niqab die bijna het hele gezicht bedekt. Het is even wennen. Juist dat trok me aan: de confrontatie met een cultuur die ik nog niet zo goed ken. Wel enigszins, want als 21-jarige trok ik een maand door Algerije. Ik voelde me daar na een tijdje verrassend snel thuis.

De cultuur shock duurde ook deze keer erg kort. Ik ben hier op uitnodiging van het ministerie van volksgezondheid. Dit traject had een lange aanloop. Na een online presentatie in 2023 voor een groep Arabische landen, nam mijn Omaanse collega contact met me op. Ze vroeg of ik wilde meedenken vanuit mijn expertise. Daarna bleef het lang stil. Tot begin dit jaar, toen ik lange ingesproken Whatsapp-berichten kreeg en de plannen concreet werden: een bijdrage aan een tweedaagse training, gevolgd door overleg over andere samenwerking.

Na de eerste trainingsdag merkte ik dat ik al snel “door de kleding heen” keek. Die statige mannen in hun witte gewaden, bleken net zo goed onzekerheden te hebben. En de vrouwen? Die stonden hun hun mannetje prima. Ze reageerden scherp, zelfverzekerd met een vriendelijke lach. Maar het blijft opvallend om de afstand tussen mannen en vrouwen te zien, zoals tijdens de rollenspelen. En gisteravond ook letterlijk tijdens het diner: de mannen aan de ene kant van de lange tafel, de vrouwen aan de andere kant. Niet dat die scheiding verplicht is. Maar je merkt dat iedereen zich eenvoudigweg wat meer op zijn gemak voelt bij zijn eigen groep.
Groepwerk - rollenspel

Gisteravond nam mijn collega me mee voor een koffie in een hippe barista-zaak. Het was een modern tafereel: jonge vrouwen in zwarte abaya’s, gympen eronder, oortjes in, druk tikkend op hun laptops. Zelfs om tien uur kwamen er nog een paar jonge vrouwen binnen voor een drankje. Veiligheid lijkt hier totaal geen zorg. 

Cappuccino

In de barista

Oman is een heel gedisciplineerde samenleving. “Er rijdt één politieauto rond, puur voor de vorm,” grapte de zoon van mijn collega, die ook mee was. Dat is wat overdreven. Ik heb er inmiddels heel wat meer gezien, vaak met zwaailicht gevolgd door een stoet auto’s met officials die hier ook veel komen. Oman is booming. 

Onder de kleiner Golfstaten ligt Saoedi-Arabië. Rechtsonder ligt Oman, met hoofdstad Muscat. 'Boven' de golf: Iran.
Oman is een van de Golfstaten, in het Engels: de Gulf Cooperation Council (GCC) landen. Deze landen liggen aan de Perzische Golf. Na de vernauwing bij de straat van Hormuz heet het de Golf van Oman en mondt uit in de Arabische Zee/Indische Oceaan. Tijdens de vliegreis kreeg ik een mooi overzicht van deze staten. Er zijn er zes. Kleine landjes als Bahrein, Koeweit en Qatar. Grotere landen als Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten (o.a. Abu Dhabi en Dubai) en Oman.

De souk in Muscat

Oman was lange tijd een erg achtergesteld land. De sultan deed weinig aan de ontwikkeling. In 1970 werd hij door zijn zoon Qaboos afgezet. Onder Sultan Qaboos en mede dankzij de inkomsten uit de olieproductie, werd het land getransformeerd in een moderne staat. Voor de olieproductie, de aanleg van wegen, ziekenhuizen, huizen, en voor de dienstverlenende sector waren veel arbeidskrachten nodig. De helft van de bevolking is ondertussen “expatriate”. En daar komt ook de link met tuberculose weer terug, want tuberculose komt vaker bij deze “expatriates” voor.  

De vier intensieve dagen zitten er vandaag op. Ik kon mijn verblijf met een paar dagen verlengen om nog wat het land te zien. Morgen staat er om 6 uur een busje voor de deur om met een groep het binnenland in te gaan. Ik heb de buitentemperaturen nog niet ervaren. Het is hier overdag 26-28 graden en ’s nachts 16 graden. Dat moet te doen zijn. In de zomer niet, dan kunnen temperaturen oplopen tot wel 50 graden!