Al weken volg ik de temperaturen in Luleå. De meest noordelijke stad in Zweden, gelegen aan de Botnische Golf, de noordelijke bocht van de Oostzee. Het pensioen dient zich aan. Ik heb meer tijd om nog een paar sportieve uitdagingen aan te gaan. Eén daarvan: nog één keer een langeafstandstocht.
In 1987 schaatste ik de Noorderrondrit in
Groningen. 150 kilometer. Alle stempeltjes waren binnen, dacht ik. Tot er vlak
voor de finish nóg een geheime stempelpost opdook. De stempelaars waren
onverbiddelijk. Het groepje waarin ik schaatste was te laat. We konden over de
weg naar Baflo, werd gezegd. Dat was natuurlijk geen optie. In het donker
schaatsten we door naar de finish. Maar het kruisje kregen we niet.
Ik wilde zo’n lange afstand nog wel eens schaatsen,
zoals elk jaar op de Weissenzee wordt gereden. Vorig jaar werd ik daarom lid van de IJsclub in Boskoop,
waar ik mijn conditie probeerde te verbeteren met skeelerlessen. Ik was veruit
de oudste. Mijn houterige techniek stak schril af tegen de diepe zit van de
jonge inlineskaters. In de zomer hield ik het voor gezien.
Toen de kunstijsbaan in Utrecht openging, startte
ik vol enthousiasme mijn rondjes. Te enthousiast. Na de eerste training voelde
ik mijn rechterbovenbeen al protesteren. Te veel rondes, te veel pootje-overs. Ik
ging wat rustiger trainen. Op de baan in Utrecht las ik ook over een bijzonder
evenement: de Sea Ice Classic in Luleå. Schaatsen op zee-ijs. Dat leek me wel
wat. En daar zijn wij nu.
De zoute zee ligt hier al maanden dicht. Een ijsvlakte
van 75 centimeter dik. Temperaturen waren wekenlang -20 graden ’s nachts en -15
overdag. Ik had extra thermokleding gekocht voor een barre tocht. Dinsdag
arriveerden we in een winterwonderland. Een witte deken bedekte het land en ook de
straten. Aan zout strooien doet men niet, geen beginnen aan. Wel zijn er continu
sneeuwschuivers aan het werk.
De temperatuur loopt in een paar dagen snel op. Op vrijdag, onze schaatsdag, is het nog maar -5 graden, met nauwelijks wind. Ideaal schaatsweer. Ik heb me (te) goed ingepakt, thermobroek en daarover twee schaatsbroeken; 3 thermoshirts en 2 schaatsshirts, dubbele handschoenen. Koud heb ik het niet gehad.
De eerste rondjes gaan voorspoedig. Het ijs is goed, maar het blijft natuurijs. Scheuren zijn onvermijdelijk, dus goed opletten. Soms behoorlijk diep, te herkennen aan het laagje sneeuw dat erin ligt. Ook vaak luchtijs: belletjes onder het oppervlak die tijdens de koers uitgetrapt worden.
| Uitgetrapt luchtijs |
De derde ronde rijd ik op met “Postuma”, tenminste, dat staat op zijn shirt. Bij de doorkomst wisselen we een paar woorden en kijk ik op zij. Mijn rechter schaats schiet in een diepe scheur. Daar lig ik. Op mijn rechterheup. Shit.
En het blijft niet bij die ene keer. Een paar rondes later verlies ik mijn evenwicht op luchtbelijs. Ik probeer nog te corrigeren, draai een pirouette, maar eindig op mijn rug. Precies op de transponder die ik in mijn schaatsshirt had gestopt. Ik voel hem in mijn rug drukken en hap naar adem. Na weer een paar rondes val ik voorover en schuif met mijn borstkas over het ijs.
Bij de doorkomst worden mijn pauzes langer. Bijkomen met erwtensoep, een tosti of een worstenbroodje. En vooral de zoete energiedrankjes. Op de bankjes schuiven andere schaatsers aan en we praten wat. Gesprekjes met heel aardige mensen. Het geeft me energie om weer door te gaan.
Vooraf wist ik al dat de 100 kilometer in acht uur voor mij niet realistisch was. Maar 50 vond ik te weinig voor zo’n verre reis. Mijn doel lag ertussenin.
Als ik nog twee rondjes van 8,3 kilometer moet om die 75 vol te maken, overweeg ik om te stoppen. Ik schaats verkrampt door de vele valpartijen. Eerst maar een ronde zonder kleerscheuren doorkomen, pep ik mezelf op. Die ronde haal ik, met nóg een val. Ik vrees dat ik het record “meest gevallen deelnemer” op mijn naam heb gezet. De schade valt mee. Het pak is in ieder geval nog heel.
Het begint te schemeren als ik aan mijn laatste ronde begin. Sneeuw dwarrelt al een paar rondes zacht naar beneden. De scheuren worden moeilijker zichtbaar en ik val nog eens. Dit keer gewoon van vermoeidheid. Twee mannen stoppen. “Hoe ver zit je?” “Zeventig.” “En jullie?” “Wij 160”. Ze zijn om 6 uur gestart voor de 200 kilometer. Een van hen adviseert om de kortste weg naar de finish te nemen. “Ik herken wat je hebt”, zegt hij.
Ik blijf nog even op de sneeuwrand zitten. Dan
sta ik weer op om de ronde uit te schaatsen. Op 2 kilometer van de finish eet ik
nog een energiebar. Het gelletje dat
naast mijn transponder zat, heeft de klap op mijn rug niet overleefd. Die was eigenlijk
bedoeld voor dit moment. En ik wacht op de sneeuwschuiver die de scheuren weer
zichtbaar maakt. Vallen wil ik niet meer. Niet op de beurse heup, niet op mijn
rug.
Dan is daar de finish.
Voorzichtig schaats ik richting de bankjes bij de tipitenten. Extra alert bij de scheur die mijn eerste val veroorzaakte. Ik vraag een vrijwilliger of ik even op hem mag steunen. Nog een val overleef ik niet.
| Met de super-behulpzame vrijwilligers |
Er zijn alleen medailles met 200, 100 en 50
kilometerinscriptie. Ik krijg de 100 kilometer omgehangen. Die heb ik vandaag meer dan verdiend.
In Luleå is veel meer te zien en te doen dan schaatsen. ’s Avonds verschijnen de mystieke sluiers van het noorderlicht aan de hemel. We maakten een hondensleetocht door het besneeuwde landschap, onder een opkomend zonnetje. De husky’s voor onze slee maakten met luid geblaf duidelijk dat ze er zin in hadden. Tijdens een sneeuwschoenwandeling trokken we een spoor over de maagdelijke sneeuw. Onze gidsen waren allemaal jonge avonturiers uit Duitsland, Tsjechië, Spanje en Schotland. Ik snap wel waarom ze zich hier thuis voelen in deze ruimte, deze eindeloze wijdte.
Hieronder een paar beelden van het noorderlicht, onze hondensleetocht en de sneeuwschoenwandeling.
.jpg)
























.jpg)


