Ik schreef eerder over stadsarchitect A.T. van Wijngaarden. Deze betovergrootvader was getrouwd met Sijtje Dekema. Vorig jaar benaderde een verre achterneef me met een intrigerende vraag over haar afkomst. Volgens verschillende genealogieën zou Sijtje afstammen van de Friese adellijke familie Van Dekema. Hij opperde zelfs een verband – via een bastaardtak – met Floris van Egmont. Via die lijn zou vervolgens een afstamming lopen naar Bourgondische koningen in de vijfde eeuw. Het klonk bijna te mooi om waar te zijn.
Sindsdien heb ik heel wat uurtjes besteed aan
het digitaal zoeken naar bewijsmateriaal. Ruim tien jaar geleden werd over deze
kwestie ook al een uitgebreide discussie gevoerd op een genealogisch platform.
Inmiddels zijn nog twee nazaten aangehaakt die eveneens willen vaststellen of
de vermeende connectie werkelijk bestaat, of juist moet worden verworpen.
Omdat de digitale bronnen mij niet verder hielpen,
bezocht ik twee weken geleden zelf het archief. Met uiteraard genoeg tijd om weer
eens van Leeuwarden en de omgeving te genieten. Ik logeerde in het Fletcher
Hotel-Paleis Stadhouderlijk Hof, om alvast een beetje in de sfeer van de royals
te komen. Stadhouder Willen IV en zijn voorouders uit het huis Nassau-Dietz
verbleven hier immers lange tijd.
Een van de stukken die ik graag wilde inzien,
betrof de nalatenschap van Hans Jurjens Swart, die op 11 juli 1698 was
overleden. Een van de getuigen was Simon Ebbes Decama, brouwersgezel te
Leeuwarden en een bewezen verre voorouder.
Het register werd snel uit het depot gehaald,
maar de zeventiende-eeuwse tekst bleek nauwelijks leesbaar. “Geen probleem”,
zei de medewerker. Tegenwoordig bestaat er software, zoals Transkribus, die oud
handschrift verrassend goed kan ontcijferen. Hij wilde het wel even proberen. Binnen
enkele minuten had ik het transcript in m’n mailbox. Leesbaar, maar lastig om
daar een lopend verhaal uit te construeren. 
Het gerechtsboek uit 1696.
De letters SPQR zijn wellicht bekend: Senatus Populusque Romanus.
SPQL is de Leeuwarder variant: Senatus Populusque Leovardiensis ("de raad en het volk van Leeuwarden")
Ook dat is tegenwoordig geen groot probleem meer. Met hulp van AI kan zo’n transcript in no-time worden omgezet in een lopende tekst. Je moet wel een beetje regie houden. De eerste versie vond ik te vlot, te modern. Daarom vroeg ik AI dichter bij het origineel te blijven. AI geeft je spontaan uitleg bij zeventiende-eeuwse woorden en begrippen die wij niet meer kennen. Hieronder het ingekorte verhaal met bijzondere nadruk aandacht voor de getuigenis van Simon Decama:
In de zomer van 1698 stierf in een steegje van
de stad Leeuwarden Hans Jurjens Swart, schoenlapper, geboren te te Mullem (Mülheim), “drie uur boven Ceulen”. Hij had bijna
twintig jaar lang gewerkt en gewoond in de potkast van brouwerse Ytie Reins.
Familie had hij nauwelijks meer. Op zijn sterfbed verklaarde hij dat hij
slechts nog een broer had, van wie hij niet eens wist of die nog leefde.
Tien dagen na zijn overlijden opent het stadsbestuur een officieel onderzoek naar zijn nalatenschap. Burgemeester Epæus Wielinga laat meerdere getuigen onder ede verhoren.
Eerst worden Jan Roelofs, turfdrager, en zijn huisvrouw
Dirckjen Gerrits gehoord. Zij hadden een jaar bij Hans in diens woning ingewoond.
Jan verklaarde dat hij met Hans gesproken heeft tijdens diens ziekte, over de beschikking
van zijn nalatenschap, omdat hij zulk een ongewoon bezoek van paapsgezinde
[katholieke] lieden in die tijd bij zijn bed had. Daarop gaf hij [Hans] ten
antwoord: “Sij beminnen mij om mijn goet, maer aen de persoon is haer
weinigh gelegen.”
Dirkje verklaarde dat ook andere bekende en
onbekende katholieke personen bij hem van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat
over de vloer kwamen. Zij sprak ook met de buurvrouw Acke, die eveneens het katholieke geloof aanhangt, over
de ziekte en de aardse bezittingen van de genoemde Hans. Zij ontving van deze
Acke als antwoord: "Indien hij geen testament maakt, dan is zijn ziel
niet verzorgd." Ook heeft deze vrouw (Acke) de genoemde Hans tijdens
zijn ziekte vaak alleen bezocht, hoewel ze er anders werkelijk nooit over de
drempel kwam.
Simon Ebbes Decama, brouwersknecht, 24 jaar
oud, gedagvaard, beëdigd en ondervraagd, getuigde dat hij veertien dagen
geleden in de namiddag — als een goede vriend en op verzoek van Hans Jurjens
Swart — door zijn hospita Ytie Reins bij diens ziekbed is geroepen. Deze Hans had
jarenlang als schoenlapper gewerkt in de 'potkast' (de kelderruimte of kast onder
de trap) van deze Ytie Reins.
Hans vertelde de getuige toen met een lachende
mond hoe hij kort daarvoor door een kapelaan zelf was benaderd over zijn aardse
bezittingen. Hans had die kapelaan daarop geantwoord: “Nu de poep en knoet
geld heeft, nu kent men hem wel. Maar dat zou niet zo zijn geweest als hij
slechts een stuk brood nodig had gehad; dan zou men de poep en knoet niet
hebben gekend.”
De kapelaan had hem daarop gevraagd: “Wel, wil je dan niet katholiek sterven?” Wat Hans daarop heeft geantwoord, “ware hem getuige uijt de memorie gegaen.” Een formulering die Marke Rutte deze week tijdens de parlementaire enquêteverhoren wellicht ook goed kan gebruiken...
Een week later wordt Ytie Reins gehoord. Zij had
hem gevraagd of de katholieke bakker Dingnum Allerts wellicht zijn erfgenaam
zou worden. Hans antwoordde daarop kort en krachtig: “Dingnum sal der niet een
hontsvot van hebben.”
Toch lijkt de voortdurende druk hem zwaar
gevallen te zijn. Nadat geruchten de ronde deden dat hij inderdaad een
testament had opgesteld, vroeg Simon Decama hem rechtstreeks of dat waar was.
Hans zou toen zuchtend hebben geantwoord: “Ja Broertie lieff, men heeft niet
eerder rust…”
De bronnen geven geen volledig antwoord op wat
er uiteindelijk met de nalatenschap gebeurde.




Geen opmerkingen:
Een reactie posten