dinsdag 30 april 1996

10. A beer for my father

Nog een kleine twee maan­den en Ghana ligt al weer achter ons. Het gaat allemaal erg snel en de drie jaar is voorbij gevlo­gen. In Nederland maar weer even rustig bijkomen en bijtanken.

In januari zijn we teruggevlogen naar Assin Foso. Dit keer verliep de vlucht niet zoals gepland. Op Schiphol waren we ruim voor vertrek aanwezig. Daar hoorden we dat het vliegtuig overgeboekt was en wij dus op de wachtlijst gezet werden. We moesten bij de gate uiteindelijk toezien hoe iedereen wel wegging en wij dus niet. Je kan je misschien wel voorstellen hoe boos we waren. Koen stond te stampen en te huilen. “Ik wil ook mee”. De pleister op de wond was een verblijf in het Victo­ria Hotel tegenover Centraal Station in Amsterdam, met een finan­ciële afkoop van de KLM. De winterjassen en dichte schoe­nen hebben we weer opge­haald, en de volgende dag zijn we ‘wilde’ bees­ten gaan kijken in Artis. We voelden ons wel een beetje toerist in Amster­dam, zo in een hotel, met wat zakgeld en met je gedachten al weer een beetje in Ghana. Na twee dagen vlogen we dus wel.
Ook de vlucht naar Nederland (van Gerard) verliep niet vlek­keloos, want toen we aan het landen waren en de landings­baan al in zicht was, trok de piloot weer op. Door­starten in vak­jargon. De piloot vertelde doodleuk dat we naast de baan dreigden neer te komen vanwege een plotselinge windvlaag. Na twintig minuten vanuit een andere richting lukte het wel.

Ook in Ghana kwamen we met de schrik vrij. Onderweg in de auto naar het noorden, passeerden we een klein dorpje. We zagen wel een man met een rood vlaggetje langs de kant staan, maar besteedden daar geen aandacht aan. Vooral tijdens funerals (begrafenis­feesten) word je nog wel eens gestopt en kunnen mensen verve­lend doen. Deze keer begonnen echter ook andere mensen langs de kant te schreeuwen en in m’n achteruitkijkspiegel zag ik mensen op de weg, hevig staan zwaaien. Toch maar stoppen en vragen wat er aan de hand is! Men vertelde dat er een explo­sie in een steengroeve te gebeuren stond. Men had het nog maar net gezegd of er was een enorme knal. Op 500 meter afstand liet men dynamiet ontploffen in een steen-groeve. Nu hadden we bijna met de auto naast de weg gestaan door een ‘windstoot’.

We waren onderweg naar een wildpark in het noorden van Ghana. Tot vorig jaar hadden we nog maar weinig rondgereisd en dat wilden we dit laatste half jaar nog goed maken. Het Mole National Park staat bekend om z’n olifanten. Die hebben we ook volop gezien. Al wandelend met een bos-wachter kwamen we de oli­fantjes tegen. Bij een waterplas konden we ze zien badde­ren. Er dreven ook krokodillen in het water. We zaten aan de rand van het meertje, maar de boswachter verzekerde ons dat ze niet uit het water zouden komen. Hij had gelukkig gelijk.

Douwe en Koen zijn twee maanden lang één dag in de week naar een school geweest dichtbij Cape Coast, in Ahotokrom. Deze school wordt gerund door een Engelse zuster. We kwamen daar wel eens vaker en Douwe en Koen voelden zich daar wel op hun gemak. Het was wel bijzonder om dat zo mee te maken. De jon­gens kregen allebei een schooluniform: een blauwgeruit blouseje. Ze hebben nu twee scholen. Een ‘binnenschool’, bij ons in huis en een ‘buitenschool’ in Ahotokrom. Op de buitenschool eten ze ’s middags ook, meestal een papje (sorghum). Koen doet wel mee, maar Douwe gruwt daar van en eet liever z’n eigen boter­hammen. Na het eten is er altijd ver-plicht slapen/rusten. Volgens de zuster kan je het maar beter organiseren, want geslapen wordt er toch in de school, zowel door de kinderen als de teachers. Bij Douwe in de klas gaan de hoofden op de banken, bij Koen ligt iedereen op de grond. Nu hebben ze 5 weken paasvakantie. Het plant-seizoen is begonnen en de kinderen moeten meehelpen op de farms.

Douwe en Koen zijn wel erg bijdehante kinderen. Zo waren we laatst in een lux zwembad in Accra en zaten Florence en ik te praten over wat we zouden drinken. Even later kwam een ober met twee fanta, een malt en een bier. We zeiden dat we nog niks besteld hadden, maar hij wees naar onze kinderen. Ze waren met hun zwembandjes naar de swimming pool bar gezwommen en hadden netjes een bestelling gedaan. De ‘beer for my father’ heb ik maar teruggestuurd, want het was nog vroeg in de morgen.

Wat we hier erg gemist hebben, is sport, zowel actief doen als pas­sief volgen. De temperaturen en de vochtigheid zijn hier veel te hoog om ook maar iets aan sport te doen. Vorige week ben ik voor het eerst eens wezen kijken bij het plaatse­lijke voetbalclubje, de Foso Soccer Missionaries. Ze speelden tegen een voetbalteam uit Winneba voor de tweede divisie. Ik begrijp nu dat Afrikaanse voetballers zoveel ballen door de lucht spelen, want het voetbalveld was echt een knollenveld, wat bovendien nog tegen een heuvel lag. Je speelt dus of naar beneden of omhoog. Ook hier misdra-gen supporters zich. Er werd met stenen gegooid naar de tegenstander, tweemaal werd een speler geraakt. De paar politie agenten hadden er geen belang bij om op te treden. Tijdens de pauze werd de scheidsrechter verteld, dat als Foso niet zou winnen, dan ... De scheidsrechter werd zo een echte thuisfluiter. De Soccer Missionaries wonnen met 1-0. Volgens een paar mensen die ik sprak was de uitwedstrijd in Winneba nog veel erger en gebeuren dit soort dingen ook in de hoogste league.

Nee, dan was het wielrennen vorige week leuker. De Tour de Ghana werd voor het eerst georganiseerd, met teams uit Togo, Benin en Ghana (35 wielrijders). De totale prijzenpot was 2 miljoen cedis, 2 duizend gulden. De derde etappe ging van Cape Coast naar Kumasi en passeerde Assin Foso. Het was voor het eerst dat een wielerkoers voor ons huis langs kwam. Er was veel enthousiasme langs de kant van de weg. Het is wel erg slopend om bijna 200 km in de brandende hitte af te leggen. Ik heb hier zelf ooit eens 15 km gefietst en ik geef het je te doen.

Het werk zit er bijna op. Uit het contact met de School of Public Health, Accra is m’n opvolger gerold voor het districtswerk. Inmiddels zijn we al met de overdracht bezig. Bovendien is nog een vierde arts in het ziekenhuis begonnen, zodat we nu even met 6 artsen zijn. Een ongelofelijke ‘luxe’. Het is dan ook tijd om op te stappen en over te dragen. Mission completed!?
Er is trouwens een grote uittocht van Nederlandse artsen uit Ghana. Waarschijnlijk zijn er in juni nog 2 Nederlandse artsen en een verpleegkundige over. Tien jaar geleden waren dat er nog 30! In Ghana is ‘tropen­arts’ dus een uitstervend beroep. Later zeggen Douwe en Koen misschien wel: “m’n vader was vroeger tro­penarts. Dat had je toen nog”. Daarom is het ook tijd om een wat andere richting in te slaan. Vanaf september ga ik een Public Health opleiding doen in Londen. Ik hoop daarna op een wat andere manier door te gaan met gezondheidszorg in ontwikkelingslanden.

Zover is het nog niet. We hebben nog een paar weken te gaan, voordat we medio juni naar Nederland vliegen. We weten nog niet waar we gaan wonen. Het is erg moeilijk om iets te huren of te kopen. Gemeentes, banken en makelaars hebben allerlei regeltjes waardoor het vaak onmogelijk is om als toekomstig werkloze een woning te krijgen. De Nederlandse maatschappij lijkt killer, harder en zakelijker. Het zal wel weer wat tijd kosten om ons aan te passen in de Nederlandse maatschappij.

Tot slot nog een autospreuk uit Ghana. De humor rijdt op straat want de meeste auto’s zijn beschilderd met allerlei leuke spreuken. Vorige week kwamen we deze tegen: “Heaven gate no bribe” (geen smeergeld aan de hemelse poort). Heerlijk gevoel van zelfkennis...

Verder willen we jullie allemaal weer hartelijk danken voor jullie ondersteuning de afgelopen 3 jaar. De giften op de rekening hebben we gebruikt voor orthopedisch materiaal voor het ziekenhuis, AIDS en TB werk in het ziekenhuis en in het district en voor verschillende waterputten en dorpskliniekjes in het district. Verder willen we ook iedereen bedanken die hier in eigen persoon langs gekomen is. We hebben genoten van alle bezoek. En, niet in de laatste plaats de ondersteuning per post. Daar hebben we absoluut niet over te klagen gehad, de stapels die ons bijna wekelijks bereikten. Allemaal bedankt! en we hopen elkaar weer spoedig te zien.

maandag 11 december 1995

9. In Nederland gaan we een kooitje zoeken voor mama’s nieren

De feestdagen staan weer voor de deur en dit keer breng ik ze ook in Nederland door. Ik tel nu dat ik al zes keer een nieuw jaar ingegaan ben in Afrika, meestal slapend. Het is wel weer eens gezellig om die dagen in Nederland te zijn, hoewel ik wel een beetje tegen de kou op kijk. Momen-teel is het hier erg heet. We zitten aan het eind van het regenseizoen en het begin van de harmattan. Zelfs de spaarzame buitjes brengen weinig afkoeling. Het zweet gutst van me af.

Florence, Douwe en Koen zijn al 1½ maand geleden naar Neder­land vertrokken. In augustus merkte Florence dat er een be­weegbare zwel­ling in haar buik zat. Gelukkig bleek het een wandelende nier te zijn. Als het aan de uroloog in Kumasi lag, was ze al lang en breed geopereerd. Ook bij Memisa vond men dat zo’n operatie wel in Kumasi of Accra kon plaats-vinden. Ik heb me eens voorge­steld hoe dat dan geweest zou zijn. Eerst nog wat bezoekjes aan Röntgen e.d. betekent dat we een paar keer over de hob­belweg naar Kumasi zouden moeten. Voor een operatie moet je zelf voor de naalden, infuus en medicijnen zorgen. Het hechtmateri­aal koop je van de chirurg. Verder betekent het dat ik dan met of zonder Douwe en Koen in Kumasi in een hotelletje moet gaan zitten om haar te verzor­gen. Dagelijks wat brood en rijst brengen want de ziekenhuizen voorzien niet in maaltij-den. In ons ziekenhuis wordt een patiënt eigenlijk alleen opgenomen als een familielid voor de patiënt kan zorgen. Deze wast de patiënt, geeft hem eten, slaapt onder het bed als de patiënt erg ziek is of anders op de veranda en is verant­woordelijk voor het infuus. Midden in de nacht moet hij/zij de verpleegkundige wakker maken, als het infuus leeg is. Nee, hoewel het misschien een goeie ervaring zou zijn geweest, zijn er toch te veel risico’s. We hadden het volste vertrouwen in de chi­rurg, maar ik heb te veel mensen tijdens anesthesie er onder door zien gaan. Met de andere problemen zoals de veiligheid van bloed en hygiëne/wondinfectie, hebben we toch maar besloten naar Nederland te gaan.

Douwe had zo z’n eigen uitleg. Zo vertelde hij aan Pauline, een arts uit Asikuma: “Mama moet naar Nederland om geopereerd te worden aan de nieren”. “Wat zijn nieren?” “Zijn een soort wasmachines. Ze wassen bloed schoon en al het vuil gaat er uit, dat gaat naar de ballon. Van de ballon gaat het naar het plasgaatje of naar een piemel. Dan komt er plas uit”. “Wat is er mis met Florence’ nier?” “Die lopen steeds weg. In Nederland gaan we een kooitje opzoeken, stoppen die nieren in een kooitje. Jij, papa, kan dat niet doen, omdat jij geen kooitje hebt”.
In Nederland hebben ze het kooitje ook nog niet gevonden...

Kinderfantasie en kinderverhalen zijn erg mooi. Zo las Floren­ce op school voor uit Lotte en Pieter en moest Douwe het verhaal na vertellen. Zo vertelde hij “Papa en Mama hadden een nieuwe auto gekocht. Toen lieten de gieren poep vallen op de auto. Toen gingen Lotte en Pieter de auto schoon maken”. Het verhaal vertelt echter over meeuwen. Hoe de eigen werkelijk­heid verwerkt wordt... Of: “In Nederland gaan mensen niet dood, omdat ze geld hebben in Nederland en niet in Ghana!”

Het is wel een lange tijd zo zonder Florence en hen. Gelukkig staat de technische ontwikkeling ook niet stil in Foso. Twee maan­den geleden stond er ineens een nieuw bord in het dorp met Telephone en Fax services. Er hangen hier en daar ook nog wat oude bordjes met “You can telephone here”, wat herinnert aan betere tijden. Ergens op een boveneta­ge boven een bierverkoper was men inderdaad bezig om een kantoortje op te zetten. Twee weken later was deze telecom-revolutie een feit. Zonder enige pro­blemen kan ik nu wekelijks even direct met Nederland bel­len. De eigenaar, een gepensioneerde kolonel, vertelde me dat het een radio-telefoon is, die golven stuurt naar Oda, van waaruit de doorverbinding plaats vindt. De verbinding lukt niet altijd. Zo kreeg ik laatst onbekende Nederlanders aan de telefoon, het display van de telefoon liet wel het goede nummer zien. Ik dacht misschien een windstootje, maar het bleek de accu te zijn die bijna leeg was (kan dat?). Toen een nieuwe werd aangesloten lukte het wel direct. De fax is er nog niet, ook zijn er al plannen om een e-mail service te starten. Nog maar net van deze schok bekomen, blijken er nu telefoonpalen in het dorp geplaatst te worden. De lokale PTT is ook bezig om huisverbindingen te maken. Binnenkort zitten wij ook op het net.

De computertaal dringt ook de kinderhoofden binnen. Zo zat Douwe eens uit de chocopastapot te snoepen. Toen zei hij dat doe ik niet maar m’n hersens vertellen likkepot om te snoepen van de chocopasta. Ik zal er even een ander floppie in stoppen, anders doet hij het weer. Koen zit in de ‘sliepuit’ fase. Elke keer als hij aan de tele­foon komt, zegt hij “ik heb taart, jij lekker niet. Ik heb chocolade muizen gekregen van Sinterklaas, jij niet. Ook een knikkerbaan, jij niet”.

In Ghana gaat niet alle ontwikkeling zo snel. Een hele hoop stagneert ook. Al 8 maanden zijn alle universi­teiten dicht. De professoren zijn in staking. Ze willen dezelfde salarisschaal als de high court judges, zeg maar hoofd-officier van justi­tie. Een akkoord is nu bereikt over een jaarsalaris van   ¢6.000­.000­,00. De staking heeft zo lang geduurd dat dit inmid­dels omge­rekend naar gul­dens neer komt op ruim 6000 gulden. Aan het begin van de staking was dat bijna 1000 gulden meer. Ook de prijzen zijn in die tijd aardig omhoog gegaan, dus je schiet er niks mee op en eigenlijk kan je een nieuwe staking begin­nen. Ook de basis en middel­bare scho­len waren 6 weken dicht, maar dat had een andere reden. Vol­gend jaar zijn er verkie-zingen en alle kie­zers moesten gere­gistreerd worden. Tot twee maal toe werd deze 2-weekse campag­ne uitgesteld, en het nieuwe schooljaar begon zo 6 weken later. Voor veel scholen maakt dat niet eens zo veel uit, want de lesprogramma’s zijn zo belabberd, dat 6 weken meer of minder school weinig ver­schil uitmaakt. Veel kinderen in de dorpen kunnen in klas 3 of 4 (groep 5 of 6) nog niet lezen en schrij­ven.

De prijs van sinaasappels verandert hier waarschijnlijk nooit. Ze zijn er in overvloed. Hopen/bergen liggen aan de kant van de weg voor de verkoop naar grote steden. Laatst kocht ik 100 sinaasappels voor ¢1,800. Je kan ze ook geschild kopen. Een dun laagje wordt er van de schil afgeschild, het kapje eraf gesneden, en je kan het als een lokale pers leeg knijpen in je mond. Een echte dorstlesser. De prijs: mienu fifty. Twee voor 50 cedis (5 cent). Sinaasappels in Nederland zullen nooit meer zo smaken als in Ghana. Vooral de oranje kleur staat me tegen. Een sinaasappel hoort groengeel te zijn. Eerst dacht ik nog in m’n onschuld dat deze sinaasappelverkopers, de 25 cedis per sinaasappel als volle winst binnen kregen. Maar zij kopen de sinaasappels ook van een grote hoop. Sinaas­appels die naar de grote plaats gebracht zijn door chauf­feurs, geplukt zijn door speciale plukkers, op het land van een sinaasappelboer, meestal onderhouden door z’n vrouw. Uiteinde­lijk blijft er een paar cedis voor iedereen over. Dit is het leven in Afrika. Iedereen sprokkelt een paar centen bij elkaar, en droomt eens van de grote klap.

Nee, dan is de ingezonden brief van onze ambassadeur wel van een andere wereld. Waar een Nederlandse ambassadeur zich al niet druk om moet maken! Een krantje. Een avondje zappen. Hij heeft een aardige schotel op het dak van z’n villa. Of “Where to go”, ofwel waar ontmoet ik wie. Party-time en social life in Accra.

Vorige maand had ik zelf ook even de gelegenheid om een uit­stapje te maken naar Togo. Er was een TB conferentie voor Afrikaanse landen in Lomé. Lomé leek ver weg, maar is uitein­delijk maar twee uurtjes rijden van Accra. De grensover­gang is in Aflao, aan de kust, op nog geen 200 meter van de zee. Erg rommelig en stoffig. Het duurde ook nog wel even om de grens te passeren. Een stukje over de grens rij je een wereldstad binnen, met mooie straten en wolkenkrabbers (35 hoog). De straatvegers doen je even aan Jacques Tati denken en je reali­seert je dat er een wereld van verschil is tussen een voorma­lig Franse kolonie en een Britse. Het was natuurlijk maar een korte indruk. De stad leek geor­dend, het verkeer met al z'n brommertjes vrolijk, gezellige eettentjes en barretjes. In het hotel kwam ik op een avond de bewaker tegen die een dikke slang voor zich uitschoof. Een Fransman kwam ook staan kijken en men was het eens dat het een python was. De slang werd op een stok het terrein afgedragen. Toen ik het verhaal 's avonds aan m’n Ghanese collega’s ver­telde, waren ze zeer verbaasd en ook bang (Ai). Ze hadden de slang al lang morsdood geslagen. Ik eigenlijk ook.

De conferentie was erg interessant en ik heb veel nieuwe ideeën opgedaan. Ook veel mensen ontmoet. De wandelgangen en het netwerken. Op een avond kregen we een diner aangeboden door de Togolese president (hij at ergens anders). Ik was even vergeten dat ik in Afrika was, en zat met een Zweed te praten die het TB programma in Sierra Leone coördineerde. We hadden een bescheiden voorgerechtsalade opgeschept. Toen we uitein­delijk aan de rijst etc. wilden begin­nen, waren alle schalen leeg. Inclusief al het dessert. Ik had natuurlijk net zoals de rest m’n bord met een kop moeten vullen met een stuk meloen ‘on top’. Stom.

De volgende dag reisde ik terug met het openbaar vervoer: een GPRTU bus met 70 volwassenen, een hoop kinderen en tassen vol met gekochte waar uit Togo. Ik zat op een driezitsbank op één bil, op het randje, samen met twee visetende en icewater drin­kende, stevige mammies. Het was heet in de bus vooral als ‘ie even stil stond. Bij verschil­lende roadblocks moesten mensen een ‘tax’ betalen voor hun geïmporteerde spullen. Een hoop gesjoe­mel dus. De brug over de Volta was ‘weak’, en we moesten met het veer over. Er werd ook weer voldoende eten ingeslagen. Kenkey, visjes, zakjes rijst met pepersaus, icewater. Ik hield me bij de sinaasappels. De reis terug duurde vier uur. De prijs voor de rit ¢2,200 (een knaak). Niet alles is zo goedkoop. Een pot bier (Star, ABC of Club Beer) kost ¢1,200, voor 3/4 liter. Tijd om één open te maken. Ook een goeie dorstles­ser met deze hitte.

Rest me nog iedereen prettige kerstdagen te wensen en de beste wensen voor 1996.

donderdag 19 oktober 1995

8. Een dag uit het leven van…

Een dag uit het leven in de tropen... Ik lees ze wel een van anderen “een dag uit het leven van ...”, meestal zijn het personeelsblaadjes of zo. Ik vind het altijd wel grappig zo’n dag mee te lopen en eens lezen hoe een ander het nou doet. Ik wilde jullie weer eens wat schrijven, maar ik weet niet wat. Alsof je niets mee maakt en er gebeurt zo veel. Eigenlijk is het best makke-lijk om zomaar een willekeurige dag uit je leven te volgen en op te schrijven wat er zoal gebeurd. Hier is dan zo'n dag.

Het is al 6 uur als Douwe ons komt wekken. Koen was al wat eerder tussen ons ingekropen maar die slaapt meestal rustig verder. Hij laat zich ook nauwelijks storen door Douwe’s verhalen die meestal gaan over z’n dromen; fantasierijke bouwplannen die vervolgens meteen uitgevoerd zouden moeten worden. Als ik al 5 keer hetzelfde zinnetje heb gehoord “Kan je dat dan wel voor me maken?”, draai ik me om en open m’n ogen. “Goeiemorgen Douwe!”. “Goeiemorgen, mama, ja is dat afgesproken dat je dat nu voor me gaat maken”. “Wat?” “Nou, dat vliegtuig met een propellertje waar je zo mee weg kan vliegen, waarheen je maar wilt?” “Oh, Douwe dat kan ik niet hoor een vliegtuig bouwen”. Koen is inmiddels ook wakker. Gerard dut nog wat door. Douwe en Koen gaan alvast de woon-kamer in. Als ik dan toch ook maar uit bed kom, zijn alle kussens van de stoelen en bank gehaald, krukjes staan op z’n kop: “Kijk, zo’n vliegtuig bedoel ik nou”, zegt Douwe. De stellingen van kus­sens blijkt dit keer een vliegtuig te zijn. Andere keren is dezelfde constructie een boot of een huis, een auto of een ingenieuze machine die van alles kan. Ze spelen lekker verder, als ik ondertussen de was uit de wasmachine haal en een nieuwe was er in doe. Dat is voor Prince straks als ik naar m'n werk ben. Ik zet thee en dek de tafel. Douwe en Koen komen allebei helpen de borden en kopjes op tafel te zetten. Inmiddels zit Gerard alweer achter de computer even wat voorbereiden voor een vergadering die dag.

We ontbijten en dan ga ik me snel douchen en aankleden. Koude douche. Onze watervoorziening is nog steeds het regenwater dat we via het dak en de regenpijp opvangen in een ondergrondse tank, van daaruit pompen we het naar een hoger gelegen tank die dan zo voor de waterdruk zorgt en het mogelijk maakt onder de douche te kunnen of je handen te wassen als je de kraan open draait. ‘s Morgens is het water meestal koud, maar ach je weet niet beter. ‘s Middags als de zon op de tank heeft staan branden is het wel warm. Inmiddels zijn Prince en Stella gekomen en zijn Douwe en Koen ook aan het badderen. Ik zeg ze gedag en ga naar het ziekenhuis.

Ik loop altijd eerst bij de sisters langs voor de sleutel van de ‘main store’, dit is de opslagplaats van de medicijnen. Ik zorg nu al ruim een jaar voor de uitgifte van medicijnen aan de afdelingen, hou in de gaten wat er besteld moet worden en hou op de computer bij wat er in en uit gaat en zo hebben we nu een redelijk overzicht gekregen wanneer we wat moeten kopen, hoeveel het kost en hoeveel we ervoor moeten vragen. In hetzelfde gebouw zit ook de wasserij van het ziekenhuis en degene die de store doet, zorgt ook voor de wasserij. Nadat ik de sleutel heb opgehaald, loop ik langs de store, haal wat waspoeder en een paar blokken zeep eruit en giet het bleekwater in een kom. Er ligt al een berg was voor de machine, allemaal groene stukken, dat is de operatiekamer. Waarschijn­lijk hebben ze gisteravond of vannacht geopereerd. De was is al voorgespoeld en ik stop het in de machine, zodat die al gedraaid is als de wasvrouwen Agnes en Sarah komen. Ik loop door via de kinderafdeling naar de volwassenafdeling, zodat ik meteen weet of er wat bijzonders is. De kinderafdeling is druk maar kalm. Meestal ligt het vol. Nu ook. Veel kinderen zijn giste­ren of eergisteren gekomen. Veel met malaria en bloedarmoede. Als de koorts naar beneden is, gaan ze vandaag met medicijnen naar huis. De kinderen met ernstige bloedarmoe­de krijgen veelal een bloedtransfusie en knappen daar aanzien­lijk van op. De oorzaak van de bloedarmoede is meestal malaria.

Ik loop door naar William. Hij is een jongen van 12 jaar die meningitis (hersenvliesontsteking) heeft opgelopen. Hij is ruim drie weken niet aanspreekbaar geweest maar sinds twee dagen reageert hij als je hem aanspreekt en volgt je met z’n ogen. Hoe ernstig de beschadiging is of zal blijven weet niemand. Gisteren hadden we William uit bed op een stoel gezet. hij kon zo ook weer wat drinken. Alles met hulp, want hij is niet in staat z’n armen of benen te bewegen. Williams vader en oma zijn constant bij hem geweest. Dit kost veel energie. Volgens mij zien ze het niet meer zo zitten, zelfs de lichte verbetering kan hen geen hoop geven. Ik probeer ze nog een hart onder de riem te steken en ze nog eens te motiveren voor passieve oefentherapie met Willie. De grootmoeder laat me nog eens duidelijk zien welke oefeningen ze allemaal moet doen. Ze weet het nog wel. Ze doet me geloven dat ze haar best er wel voor wil doen, maar als ik later die ochtend nog eens langs loop zitten de grootmoeder en vader allebei een beetje te neer geslagen aan het bed. Ze hadden om ontslag gevraagd maar de arts had geen toestemming gegeven.

Van de kinderafdeling loop ik door naar de volwassenafdeling. Daar was de nacht ook rustig. Ze vertelden me dat een patiënt op bed 12 was overleden om 6.00 uur vanmorgen. Hij was gisteravond opgenomen in een slechte conditie en is er niet bovenop gekomen. Opmerkelijk is dat veel patiënten om 6.00 uur in de ochtend doodgaan. Dit is ook de tijd dat er weer gewerkt wordt, want het nachtpersoneel slaapt meestal. De familie moet dan, evenals overdag, op de patiënt letten en als die dan ook slapen, gebeurt het wel dat de patiënt bij ‘t wakker worden van de anderen, is overleden. Ik loop over de afdeling, groet de mensen en ga naar het medi­cijnuitgiftekantoortje van de afdeling. Hier beginnen we met het aanvullen van de medicijnpotjes, uitdelen van verbandmateriaal, schoonmaakspullen, etc. voor die dag. Als ik daar net mee klaar ben, komen de eerste moeders van de kinderafdeling al met de temperatuurkaarten van de kinderen die zojuist ontslagen zijn. Ik maak de rekening op, alles wat gebruikt is of gedaan is tijdens de opname wordt opgeschreven en ik zet dat om in cedis volgens een afgesproken prijslijst. Deze ochtend zijn er 10 kinderen ontslagen en 8 volwassenen. Nadat ik de rekeningen heb gegeven, volgt de betaling en het geven van de medicijnen die zijn voorgeschreven bij ontslag. Het een en ander neemt altijd een hoop tijd in beslag. Als ik net met een van de laatste patiënten bezig ben, komt Mary Komsoon het hoofd van de kinderafdeling bij me. Ze vertelt me dat de grootvader van William is gekomen en hij staat erop het kind mee te nemen. De verpleegkundigen, door de lichte verbeterin­gen bij Willie aangemoedigd, hadden geprobeerd de familie te overtuigen nog iets meer geduld uit te oefenen. Nu werd het probleem naar mij geschoven. Het ziekenhuis is geen gevange­nis, je kan ze niet tegenhouden. De grootmoeder stond bij me te smeken (“I beg you”). Ik heb haar gevraagd naar de afdelings­arts te gaan om ontslag te regelen.

Om twee uur hadden we een afdelingsvergadering op de volwassenafdeling. Deze houden we een keer per maand en bespreken dan huishoudelijke zaken maar ook kan iemand bv. een ziektebeeld voorbereiden en erover vertellen. Meestal gebruiken we de vergadering om de puntjes op de i te zetten of te houden. Vandaag bespraken we wie er naast het afdelingshoofd verant­woordelijk zou worden. Sinds kort zijn er namelijk Ghanese verpleegkundigen hoofd van de afdeling i.p.v. de religieuze zusters (nonnen). Die proberen nu meer op het begeleidende nivo te zitten. De staf is erg blij met deze ontwikkeling en voelen erkenning. De hoofden voelen zich nu ook meer betrokken en verantwoordelijk voor het werk. Het selecteren van een hoofd was niet zo moeilijk en is min of meer democra-tisch besloten. De tweede verantwoordelijke daar gingen we het nu over hebben. Er zouden vier kandidaten zijn maar twee hadden zich al terug getrokken. Van de twee overblevenen is er een zeer geschikt. Iemand die goed overzicht heeft en ook kan delegeren. De andere is erg traag en ongeorganiseerd en kan absoluut geen orders geven, maar zij is de oudste, ruim 50 jaar oud en volgens Ghanese gewoontes zou zij degene zijn die daarvoor in aanmerking zou moeten komen, zonder te kijken naar kwaliteit en geschiktheid. Bij de stemming bleek er een gelij­ke verdeling van stemmen en samen besloten we dat dan de sisters (=management) de keuze maar moet maken. Gelukkig weet ik wel wie hun voorkeur heeft. Tijdens de vergadering zag ik Williams grootouders voorbij lopen met grote tassen. Even later kwam z’n vader langs met William als een slappe pop in z’n armen op weg naar... Later die dag hoorde ik dat ze William naar een ‘spiritual healing church’ zouden brengen om te zien of er genezing gebracht kan worden.

Het was half vier toen ik thuis kwam. Gerard was ook nog niet thuis. Even snel wat eten en drinken en dan school. Meestal ben ik wel eerder thuis zodat we ook op tijd met school kunnen beginnen. Douwe en Koen vinden het meestal leuk. Het geeft weer wat afwisseling in hun spel en ze krijgen m’n aandacht. Ikzelf vind het ook leuk om les te geven. We zijn nu in groep 2 bezig. Ik heb een begeleidingsboek dat het programma van dag tot dag beschrijft. Meestal heb je een thema per week, soms is er een thema dat twee weken beslaat. Deze week hebben we het over gezond en ongezond. We praten dan over ziek zijn, de dokter, het ziekenhuis en lezen een bijpassend verhaaltje. Bij het onderdeel expressie hebben Douwe en Koen deze week een tekening gemaakt van een dokter en een ziek kind, een andere dag een ziekenauto van een kartonnen doos en gisteren een zieken-huis van lego gemaakt. Vandaag lezen we een verhaaltje over twee kleuters die een vogel vinden die gewond is en naar de dierenarts gebracht wordt. Daarna krijgt Douwe schrijfoefeningen en Koen mag iets uitzoeken wat hij leuk vindt. Hij kiest voor een puzzel wat hem goed afgaat. Koen doet nog wel mee met de voorbereiding voor het schrijven. We doen dit naar aanleiding van een plaat­je uit het schrijfschrift waarop kinderen een bal in een emmer moeten gooien. We zeggen er een rijmpje bij. Als het spel voorbij is, schrijven we de beweging van de bal naar de emmer in de lucht. Daarna schrijft hij de beweging op het blaadje in het schrift. Het is allemaal heel basaal maar een leuke manier om te leren. Na deze oefening doen we nog een spel. Ik vertel een verhaal over een meisje dat rolschaatst, valt en haar been gebroken heeft en in het gips moet. Douwe en Koen moeten tijdens het vertellen uitbeelden wat er gebeurt. Ondertussen is Gerard ook thuisgekomen. Douwe vertelt hem het verhaal over de vogel die nu i.p.v. een meeuw een gier is geworden. Dit omdat een meeuw niet zo tot de verbeelding spreekt en een gier wel.

Na school koken we samen en als dan om 7.00 uur Douwe en Koen in bed liggen is er tijd om wat te relaxen. Ik lees een goed boek en als ik dan volledig ontspannen raak, val ik in slaag. Morgen is er weer een dag.

vrijdag 11 augustus 1995

7. Opgesloten in de operatiekamer

Daar is 'ie dan weer. De vorige rondzendbrief was al bijna een jaar geleden, en als we deze frequentie aanhouden dan kunnen we de volgende meenemen als we terugkeren naar Nederland, volgend jaar juni. Er is in de afgelopen periode veel gebeurd, te veel om zo maar even in een avondje op te hoesten.

Het leven en werken gaat hier met de nodige ups and downs. De ene keer voel je je gefrustreerd en heb je ook geen zin om een lange klaagbrief te schrijven, een andere keer gaat het weer lekker, wat vaak ook betekent dat je helemaal in werk maar ook in Ghana opgaat. Je wordt ook veel geleefd in Ghana, zeker met het werk van District Medical Officer. Ook het zieken-huiswerk is vaak heel bijzonder. In ieder geval is het voor ons duidelijk dat dit werk hoewel vaak niet makkelijk, toch vreselijk blijft boeien. Laat ik maar eens wat verhalen vertellen, voordat dit een lang filosofisch betoog wordt. Voor dat laat­ste is helaas ook weinig tijd!

Eerst maar eens een luchtig verhaal uit het ziekenhuis wat nog vers in m’n herinnering zit. Vorige week moest ik een keizersnee doen voor een tweeling. Het eerste kind lag dwars. Toen we net begonnen waren bleek dat de deur van de operatiekamer in het slot gevallen was. De sleutel was een week geleden afgebroken en zodoende stonden de verloskundige en de omloop buiten. Daar stonden we met z’n drieën, een instrumenterend-assistent, de anesthesist en ik. Er zat niets anders op dan de beide kinderen aan de anesthesist te geven. Het tweede kind moest ik zelf naar de reanima­tietafel brengen, omdat hij druk met de eerste bezig was. Moeder en kinderen zijn inmiddels gezond ontslagen, maar we waren wel even ‘hot’. In Nederland zal het misschien vallen onder calamiteiten, hier denk ik meer onder hilariteiten.

Vorige week kregen we ook bezoek van een delegatie uit Zuid-Afrika. In Zuid-Afrika zijn vorig jaar voor de verkiezingen 120 mensen getraind in Senior Health Management, 60 daarvan konden zich vrijmaken om 6 verschillende Afrikaanse landen te bezoeken en 10 kwamen naar Ghana. Een team van vier was vorige week 4 dagen in Assin District: een arts, een tandarts, een verpleegkundige en een maatschappelijk werker. Hun missie was om de gezondheidsstructuur van Ghana te bestuderen, en dit later in Zuid-Afrika met de andere ervaringen te gebruiken voor het opbouwen van hun nieuwe gezondheidszorgsysteem. Het systeem is nu nog erg ‘gefragmenteerd’, zoals ze het noemden, met alle overblijfselen van het apartheidsregime. Wij hebben een aantal dagen intensieve discussies gevoerd, veel geleerd en zoals zij het ook noemden aan ‘networking’ gedaan. Aan het eind van hun bezoek kregen Florence en ik een speld met de nieuwe Zuid-Afrikaanse vlag opgespeld. Mijn kantoor is nu opgevro­lijkt met een klein RSA-vlaggetje, en we hebben allerlei interessante stukken gekregen over wat er de komende tijd in Zuid-Afrika te gebeuren staat. Wij voelden ons vooral erg vereerd met dit bezoek. Veel meer dan het bezoek van afgelopen dinsdag. Toen kwam er een delegatie met ‘people from all over the world’ (zo werd het aangekondigd) van het UNDP kantoor in New York. Dit was een vliegend bezoek van een 10-man delegatie met personen uit o.a. Rusland, China, Denemarken, Trinidad Tobago. Er werden snel een paar foto’s gemaakt werden en ik hoorde ook bij het decor. Zo wisselen bezoeken snel af, woensdag een Engelsman van Save the Children Fund en donderdag 3 Canadezen, broeders van de Church of God in Christ, die graag, handen uit de mouwen, putten en toiletten in ons district willen komen slaan. De meeste van die bezoeken zijn onaangekondigd en het kost je meestal wel een paar uurtjes.

Ons dis­trict is uitgekozen voor een veldstage van een student van de School of Public Health Ghana. Deze school is dit jaar gestart en de opleiding duurt 1 jaar. Het zijn vaak artsen die deze opleiding doen na een aantal jaren in het veld gewerkt te hebben. De student is deze week gearriveerd en zal 4 maanden met ons werken en zijn onderzoek doen. Dit soort activiteiten maken het werk erg interessant en het is bovendien een erken­ning van het werk dat we hier doen. Ik hoop zelf volgend jaar in Engeland een dergelijke opleiding te doen. De stageplek geeft me dus tevens een aardige indruk van hoe de opleiding hier opgezet is.

Florence werkt nog steeds voor meer dan 100% in het zieken­huis. Ze is nu verhuisd naar de mannen/vrouwen afdeling. Zo heeft ze elke afdeling van het ziekenhuis al gezien. Een van de groot­ste problemen waar ze tegenaan loopt is verantwoorde­lijkheden geven aan Ghanese staf. Ze is daarbij een soort intermedium tussen Ghanese staf/ver­pleegkundige en Spaanse nonnen. Een rol waarvoor heel veel geduld nodig is, die ze goed op kan brengen. Misschien dat zij zelf in een volgende brief daar wat meer over vertelt.

‘s Middags geeft Florence les aan Douwe en Koen. Douwe zit inmiddels in groep 2. Het is grappig om te zien hoe Douwe en Koen de schoolsituatie spelen. Soms gaan ze naar buiten en zeggen dan dat ze naar school toe gaan. Vervolgens kloppen ze weer aan en komen op school. Op dat moment is Florence dan ook echt hun juf geworden. Ik neem soms de computerlessen (Floppie) voor mijn rekening.

In juni zijn we een maand in Nederland geweest. Ondanks het slechte weer, hebben we ons prima vermaakt, met zwembaden, speeltuinen en kamperen. Ook een paar dagen met z’n tweeën op stap (Parijs/Antwerpen) was heerlijk. Inmiddels is het weer bij jullie wel echt zomers geworden en horen we elke dag hoe jullie te lijden hebben onder de tropische temperaturen. 

Op de dag van ons vertrek naar Nederland speelde Ajax de Champions League Finale. In Ghana worden deze wedstrijden ook live, of vertraagd live uitgezonden. Zo kwam het dat we het laatste half uur van de wedstrijd op het Kotoka vliegveld konden volgen en natuurlijk een dansje maakten toen de bal er net voor tijd in ging. De passagiers wachtend voor Ethiopean Airlines keken een beetje verbaasd over zoveel fanatisme. Wij konden alleen een feestje bouwen met de barkeeper die ook Ajax (lees Finidi en Kanu) supporter was.

Yot slot nog een opmerkelijk artikeltje uit de krant van 2 mei. Het is maar hoe je onze rol als slavenhandelaar bekijkt. Vergeven (?) en vergeten (?), met of zonder excuses...

Hoop dat de tropische zon jullie net zo goed doet als ons.

donderdag 20 oktober 1994

6. Light off

Het is al weer een lange tijd geleden dat er een rondzendbrief de deur is uitgegaan. Het werk en leven neemt vrijwel al onze energie weg. 's Avonds is de kaars ook vaak snel uit. Daarbij komt dat Douwe en Koen een aardig Afrikaans ritme aangenomen hebben. Als het donker wordt, dan zakken de oogjes en 's ochtends bij het gloren worden ze wakker en zijn dan niet meer stil te houden. De een maakt de ander snel wakker en het leven begint dus meestal tussen 5 en 6 uur.

We zitten nu midden in de regentijd. Het lijkt wel of de regentijd veel langer en heviger is dan vorig jaar. Meestal rond 4 uur krijgen we een flinke regenbui. Douwe en Koen staan dan meestal een half uur onder de lekkende dakgoot. Douwe noemt dit de buitendouche.

Een aantal wegen in het district zijn onbe­gaan­baar geworden. Sommige dorpen hebben we al bijna een half jaar niet kunnen bezoeken. Niet overal regent het zo veel. In het noor­den is begin van het jaar te weinig regen gevallen. De twee Volta-rivieren voeren daardoor te weinig water naar het grote kunst­matige stuwmeer (het Voltameer) dat in het zuiden van Ghana ligt. Het water­peil is te laag en daardoor kan er niet genoeg waterkracht-energie opge­wekt worden om het land te voorzien. Wij zitten dus op rant­soen. Eenmaal per week gaat de Akosombo-kraan een dag dicht. Bij Akosombo, net boven Accra, ligt namelijk de grote water­kracht centrale. ‘Akosom­bo’, ‘gene­rator’ en ‘light off’ zijn dan ook woorden die al aardig in het taal­gebruik van Douwe en Koen opgenomen zijn. Als het licht over dag uitvalt, heeft Koen dat direct in de gaten, kijkt dan naar de ventilator en zegt “light off”.

Vorige week toen het ‘light off’ was en ‘s avonds de generator aan stond, zat ik in een kantoortje bij de convent te werken op de computer. Het had die dag al wel wat geregend maar van onweer hadden we nog weinig gemerkt. Plotseling was er een klap en een flits, en zat ik in een lichtzee. Daarna zat ik in het donker nog naar het beeldscherm te kij­ken. Computer en printer hebben het begeven. We hopen dat UNICEF die deze spullen gegeven had, ons weer een helpende hand kan toeschie­ten. Ook de radio verbinding van het ziekenhuis was kapot. Pas later realiseerde ik me dat het wel heel erg dichtbij was!

Het werk en vooral het leiding geven aan de gezondheidszorg in het district, heeft zo zijn ups en downs. In juni zat ik even in een dalletje. Een aantal teamleden bleek zich steeds minder in te zetten voor het district en vooral met eigen zaakjes bezig te zijn. Ghana is een land van allowances (toeslagen). Om bijvoorbeeld de dorpen in te gaan, vond men dat men daar eerst een toeslag voor moest krijgen. Om de vergadering bij te wonen had men een sitting allowance nodig, en na afloop een snack en een drank­je. Belonen na werk/prestatie is misschien ook een te Neder­lands uitgangspunt.

Ik voelde ook dat de boog al lange tijd gespannen stond. Fysiek kost het werk je al ontzettend veel. Er waren weken dat we het district en het ziekenhuis met z’n tweeën draaiden. Het kan hier vreselijk druk zijn in het ziekenhuis. Dan sta je elke nacht een aantal uren in de OK. Verder hadden we ook nog geen vakantie opgenomen en was het tijd om er even tussen uit te gaan. Het verlof in Nederland was dus zeer welkom. Te kort om iedereen op te zoeken. We hebben het bewust ook wat rustig aangedaan. Een weekje door Amsterdam slenteren, in winkels kijken, naar de Spanjaard, Mexicaan en Italiaan. Ook Douwe en Koen hebben zich prima vermaakt, met klim-rekken, glijbanen, pretparken en de dierentuin. Douwe is een aantal weken naar groep 1 geweest. Dat was voor hem natuurlijk een hele belevenis. Ook voor ons trouwens, om zo tussen de andere vaders en moeders, een beetje dromend bij het hek op je kind staan te wachten.

Zo’n verlof is sowieso bijzonder omdat je de bijzondere kanten van de Westerse en Afrikaanse samenleving ziet. Het gehaaste en (over?)georga-niseerde tijdschema in Nederland. Zo kijk je waarschijn­lijk een aantal keren op je horloge, voordat je op de fiets stapt om om half 9 op school te zijn. Onze twi-lera­res kwam gisteren niet, omdat het regende. Vanochtend ging ik veel later weg dan gepland, omdat een paar mensen nog wat kwamen bespreken. Het werk in het zieken­huis of district duurt zo lang het duurt, en de enige tijd die we ‘s avonds in de gaten houden is vanwege de Wereld-omroep. Toch vliegt ook hier de tijd.

De discussie in Nederland over computer netwerken en elektro­nische snelwegen, deed me wat duizelen. Deze kan hier natuur­lijk helemaal niet gevolgd worden, in een district waar maar één geasfalteerde weg is, ik waarschijnlijk de enige ben met een computer, en niemand een telefoon heeft, laat staan een faxverbinding. Je krijgt wel het gevoel dat het gat tussen eerste en derde wereld alleen maar groter wordt.

Inmiddels zijn we drie weken terug in Ghana, en hebben het gevoel weer thuis te zijn. Sr. Angeles, de matron, wachtte ons op op het vliegveld. Florence en ik zijn allebei weer aan het werk. ‘s Middags geeft Florence een paar uur les aan Douwe (het IVIO-pakket) en ze zijn beiden heel enthousiast. Koen kan zichzelf heel goed vermaken en is dikke maatjes met Stella. Hij stond laatst te huilen toen Stella naar huis ging.


In het ziekenhuis en het district zijn we ook heel hartelijk ontvangen en het geeft allemaal weer een ver­trouwde indruk, evenals trouwens de schapen en geiten die tussen de afdelingen heen en weer lopen, de gieren op het dak en Nana, de dove watchman (!) die ‘s nachts met opgestroopte mouwen en op slippers de OK op komt sloffen om de patiënten naar de afdeling te brengen.

donderdag 31 maart 1994

5. Yes sister, we will do so

Het is half negen ‘s morgens. Ik zit hier met dikke zweetdrup­pels op m’n voorhoofd op de veranda te schrijven. De tempera­tuur is vannacht niet onder de 30 oC geweest. Het is al weer even geleden dat we geschreven hebben, deels was de oorzaak tijd en deels inspiratie, maar nu dan toch maar weer proberen.

Allereerst wil ik even stil staan bij de verschrikkelijke moord op Eelco Krijn, Karin en Zita in Sierra Leone, waar jullie ongetwijfeld over gehoord hebben. Wij kenden hen niet persoonlijk, maar je voelt een betrokkenheid omdat je hetzelf­de werk doet en misschien ook wel omdat je voor dezelfde organisatie werkt. Dat dit soort situaties een ieder van ons kon overkomen is niet ondenkbeeldig. Waarschijnlijk is het nieuws over onlusten in Afrika summier afgedrukt in de kranten in Nederland, maar als je een lijn trekt van Noord-Afrika naar Zuid of van Oost naar West, bijna bij elk willekeurig punt kom je onrusthaarden tegen. Ook in het Noordoosten van Ghana is de noodtoestand begin maart afgeroepen. Daar zijn twee bevol­kingsgroepen met elkaar aan het strijden. Deze mensen hebben generaties lang ‘vreedzaam’ met elkaar geleefd en dan ineens ontvlamt er iets en duldt de ene groep de ander niet meer. Het gaat er dan ook niet kinderachtig aan toe en het heeft al meer dan duizend mensen het leven gekost. Een van de Memisa-artsen uit Dodi Papase vertelde dat zijn ziekenhuis dagelijks tien­tallen gewonden van deze zinloze burgeroorlog te zien krijgt. Het leger probeert de rebellen te ontwapenen, maar nu is men het drinkwater aan het vergiftigen. Je kunt je voorstellen hoe dit alles kan escaleren. Actie-wraak-tegenactie. Op zich hebben deze groepen het niet gemunt op buitenlan­ders, maar als ze zich bedenken dat hun probleem wereldnieuws kan worden als ze de buitenlanders er wel in betrekken dan wordt het anders. Je kunt er natuurlijk niet dagelijks bij stil staan, en de onlusten zijn ver van ons, maar ik denk dat we alert moeten blijven voor gevaarlijke situaties en dan nog kan je de pech hebben zoals Eelco, Karin en Zita.

De laatste keer dat ik geschreven heb ging over de oriëntatiecursus en m’n oriëntatiestage in het ziekenhuis. Gelukkig is het goedbevonden dat ik de stage in ons eigen ziekenhuis kon doen en vorige week heb ik dan ook m’n registratienummer gekregen en mag nu officieel werken. Dat deed ik dus al. Na m’n stage heb ik 2 maanden op de kinderafdeling gewerkt en per 1 januari zit ik voor vast op de kraamafdeling. Het is een hele dynamische afdeling: een combinatie van verloskunde/­kraam, zwangerschapsklinieken en nazorg. Ik ben zelf geen verloskundige maar de interesse is er altijd wel geweest. Gelukkig zijn er een aantal zeer ervaren midwives (verloskun­digen), dus denk niet die rommelen daar maar wat aan.

Mijn taak is meer het superviseren van de afdeling, zorgen dat orders uitgevoerd worden en dat de patiënten goede zorg krij­gen. En daar komt het conflict om de hoek. Wat is goede zorg en hoe moet er gewerkt worden. Daar botsen waarden en normen. Niet alleen mijn waarden en normen en die van mijn Ghanese collega’s, maar ook die van de Spaanse sisters. Mijn afdeling is het zwarte schaap van het ziekenhuis. Al jaren. En waarom? Omdat de sisters er geen grip op hebben. Geen van hen is een midwife en er is niemand die er permanent de leiding geeft. Daarbij maken de Ghanese verpleegkundigen slim gebruik van deze situatie. Omdat ze meer van het vak weten kunnen ze er ook altijd mee schermen. De sisters die hier niet veel tegen in kunnen brengen gaan op hun beurt in de aanval door van de meest pietluttige dingen een punt te maken. Er komt weinig opbouwende kritiek. Laat staan dat er eens iets positiefs gezegd wordt. En als er een crisissituatie in het ziekenhuis is, wordt altijd maternity als oorzaak aange-wezen. Laatst was er een groot verkeersongeluk. 3 vrouwen zijn er bij omgekomen, één had een miltruptuur. De milt moest verwijderd worden. Ze had zoveel bloed verloren dat ze dringend bloed nodig had. Onze ‘bloedbank’ was leeg. Twee donoren die niet geschikt waren en verder niemand die wilde geven. De vrouw heeft het niet gered. Dat is natuurlijk verschrikkelijk hard. Het heeft natuurlijk te maken met management. Er wordt al jaren gepraat over een goede bloedbank maat het komt niet echt van de grond. Omdat het natuurlijk moeilijk is de vinger op jezelf te rich­ten, wordt er meteen gezegd dat er een bloed te kort is, doordat de maternity te veel bloed uit de bloedbank gebruikt en de familie zelf niet doneert. Wij zouden de familie niet genoeg achter de broek zitten. Nu ik er zelf werk, zie je wat er gebeurt. De verpleegkundigen zitten wel degelijk achter de familie aan. Wat is dan het probleem? Waarom komt dat bloed niet terug? Het systeem werkt als volgt. Als je voor een grote buikoperatie komt, moet je van te voren 1 of 2 zakken bloed van familieleden laten doneren. Is het nodig de zakken te gebruiken, dan staan ze vast klaar. Is het niet nodig dan blijven ze in de koelkast en worden voor emergencies gebruikt. Ook op onze afdeling vragen we familie te doneren, wanneer je verwacht dat er bloed nodig is. Meestal is er op onze afdeling vaak geen tijd om bloed te vragen. Wanneer wel bloed nodig is, dan moet je gebruik maken van de koelkast. Als het om 1 of 2 zakken gaat worden ze nog wel terug gegeven, maar soms hebben patiënten wel 5 zakken nodig voor ze er weer bovenop zijn en waar haal je 5 donoren vandaan? Voor een zak bloed van een familielid betaal je 5000 cedis (Fl 12,50) aan het ziekenhuis en voor een zak bloed uit de koelkast 7000 cedis (Fl 17,50). Dit is voor de handelingen die er aan het bloed verricht moeten worden, zoals de zak waar het bloed in komt met speciaal spul om het bloed niet te laten klonteren, HIV test op AIDS, naalden en infuusslang en de kruistest om te zien of het bloed past bij de ontvanger. Als je dus zelf niet doneert maar het uit de koelkast koopt, is het dus duurder. Waarom dan toch het koelkast bloed? Als je zelf op zoek gaat naar een donor en het is geen naaste familie dan loop je de kans dat je soms wel 6000 tot 8000 cedis moet betalen aan de donor en dan daar bovenop nog eens 5000 aan het ziekenhuis. Je snapt waar men dus voor kiest. Als men bloed gedoneerd heeft en het wordt niet gebruikt, krijgt men 2000 cedis terug. De mensen die dus bloed van buitenaf hebben geregeld en dus 6000-8000 cedis hebben betaald en waarvan het bloed uiteindelijk niet aan de patiënt is gegeven, verliezen daar dus op. Met dit rare systeem werk je in de hand dat mensen niet doneren en eigenlijk doen de mensen dit elkaar aan en vallen er onnodig doden. Hopelijk gaat er heel binnenkort iets veranderen in deze bloeddonor affaire. Er is ons een goede koelkast toegezegd waarin we het bloed zo’n 30 dagen goed kunnen houden. Dan kunnen we actief donorwerving gaan doen bij scholen, bedrijven en andere instellingen, zodat we de koel­kast regelmatig aan kunnen vullen.

Met m’n voorbeeld over het bloed ben ik helemaal afgedwaald van het werk op de afdeling met de Ghanese collega’s en de Spaanse sisters. Natuurlijk zit ik pas 3 maanden op de afde­ling en ben voornamelijk aftastend bezig. Wat willen de sis­ters, wat willen de verpleegkundigen? Ik voel me constant een buffer tussen de twee groepen. Hoewel je het niet altijd met beide partijen eens hoeft te zijn kan ik het aardig met ze vinden. Bij de sisters ging dat als vanzelfsprekend. Dat heeft te maken met verwachtingen beiderzijds. Je zit er toch om er het beste van te maken. Met m’n Ghanese collega's ging dat anders. Eerst werd ik beschouwd als de verlengde arm van de sisters dus ‘oppassen’. Ik pro­beerde dit van het begin af aan te doorbreken door zaken die mijns inziens anders konden als open vraag in de groep te gooien. Dat was even wennen want een vraag werd meteen beant­woord met "yes, sister. We will do so". En dan moest ik meteen weer reageren met nee ik vraag of het een goed idee is of hebben jullie een beter plan. Ik realiseerde me niet meteen dat als je dat niet gewend bent, zo’n vraag ook moeilijk of zelfs bedreigend over kan komen. De bijdehandste verpleegkun­digen vertelden mij dat ik hun beter kon vertellen wat ze moesten doen, “zo zijn we dat gewend, en als we het doen zoals wij denken dat het goed is, wordt het toch meteen afgekapt”. Nou ga er maar aan staan. Ik moet toegeven ik heb nooit lei­dinggegeven aan een afdeling. Ook in Nederland leek me dat niet het makkelijkste, maar daar maak je het je leidinggevende wat makkelijker met inspraak en open discussies. Ach, ik weet niet hoe ik het allemaal op papier moet zetten. Uiteindelijk vind je toch wel je maniertjes om de mensen vertrouwd met je te maken. Veel interesse tonen in hun werk, hun moeilijke omstandigheden en vooral ook wat van je zelf te laten zien en kakra-kakra (slowly-slowly) begint het te komen, maar ik juich nog niet. Ik hoop dat we daadwerkelijk een goed draaiende afdeling kunnen worden, in ieder geval eentje waarin iedereen kan functioneren.

Hoe gaat het verder met ons? Wat de gezondheid betreft gaat het goed. Niet zoveel ziektes meer gehad als het eerste half jaar. Koen heeft na die ene astma-aanval geen aanval meer gehad, maar blijft nog wel een gevoelige huid houden en heeft dan ook nog altijd huiduitslag. Hij heeft hier zelf geen last van. Douwe heeft onlangs malaria gehad en is daar goed van hersteld. Gerard is nooit ziek, heeft daar ook geen tijd voor. Wel heeft hij door de tempera­tuurswisselingen last van allergie, veel niezen en snotteren dus. Ik ben zelf ook niet meer ziek geweest, sinds november, behalve gisteren toen ik ineens geveld werd door koorts, maar dat was vanmorgen weer over. Ik moest van de sisters thuisblijven om uit te rusten, vandaar dat ik nu wat tijd heb om te schrijven.

Wat het sociale leven betreft hebben we wel redelijk onze draai gevonden. We hadden goed contact met onze buren, Dr. Ring en familie. Ook Douwe en Koen waren stapel op hun kinde­ren en andersom. Helaas voor ons en ook voor het ziekenhuis, maar gelukkig voor hen, zijn zij vorige week vertrokken naar Canada. Dr. Ring was Soedanees en Liberiaans vluchteling. Hij had het enorm naar z’n zin in Ghana en wilde niet echt weg, maar als je al twee keer een oorlogssituatie hebt meegemaakt en je hebt nu de keus een nationaliteit te krijgen in een land, waar het politiek stabiel is waar kies je dan voor..

Douwe en Koen trekken nu veel met elkaar op en kunnen elkaar goed aan. Het is leuk te zien/horen hoe Douwe zich al ver­staanbaar weet te maken in ‘t Engels. En als hij het Engelse woord niet weet dan verandert hij het Nederlandse woord van klinkers, dan klinkt het in ieder geval anders. Eerst konden we nog wel eens bepaalde dingen die niet voor z’n oren bestemd waren in het Engels bespreken, maar dat kan nu niet meer. Douwe vangt alles op. Ook Koen begint te praten. Bij hem is het een mengeling van Nederlands, Engels en Twi. Koen kan zich eindeloos vermaken met tekeningen maken, duplo, de bal en water. De voordelen van kinderen beginnen nu ook te komen. Douwe dekt ‘s morgens voor ons de tafel. Koen is de eerste die op z’n stoel zit, als er wat te eten valt. We moeten dan ook wel uit bed komen. Ze blijven dan roepen: “kom ontbijten” en Koen “broooo”.

Zo, dat was het voor deze keer weer. Wij blijven uitkijken naar jullie brieven, ook al denk je dat je niets te schrijven hebt of niet kunt schrijven. Nana Adankwa I zal volgende keer jullie weer over het wel en wee in z’n dorp op de hoogte stellen en wat er met jullie donaties gaat gebeuren.

We wensen jullie een mooie lente.

dinsdag 28 december 1993

4. Chief Nana Adankwa I

In deze rondzendbrief wil ik iets meer vertellen over m'n werk. Het kost me moeite om wat tijd te vinden om een brief te schrijven en dat is ook de oorzaak dat er bijna geen brief de deur uitgaat. Mijn werk slurpt bijna al mijn tijd en energie op. Als dat al niet door het werk gebeurt, dan kunnen Douwe en Koen er ook wat van. Het lijkt wel of ze een ingebouwd wekkertje hebben, die op kwart over vijf staat. Dat is de tijd dat ze meestal wakker worden, net voordat het licht is. Als de ene wakker wordt dan wekt die de andere en begint het leven hier. Het is nu ook nog voor 6 uur wanneer ik dit schrijf en Douwe en Koen heb ik voor de televisie gezet. Het zijn anders wel twee heerlijke deugnieten.

Vier dagen in de week werk ik in het district. Ik ben hier aangesteld als district medical officer, en verantwoordelijk voor de gezondheidszorg in het district. Dat is vooral een managementtaak. Ons district ligt qua grootte ergens tussen de provincie Utrecht en Groningen. Foso ligt aardig in het midden van het district. Het is een klein stadje met zo'n 15.000 inwoners. Alle andere plaatsen hebben minder dan 5000 inwoners. Het is dus een district met kleine dorpjes. Om in de uithoeken van het district te komen moet je meestal 50-70 km afleggen. De wegen zijn redelijk goed. Een asfaltweg kruist het district. De overige wegen zijn ‘dirt roads’, redelijk begaanbaar. Er zijn natuurlijk altijd gebieden, die je alleen kan bereiken met een 4-wheel drive en die met hevige regens onbereikbaar worden. We gaan nu de droge tijd in. De laatste twee weken hebben we geen regen meer gehad en het begint ook (nog) warmer te worden. De harmattan, de woestijnwind, is er nu. Alles wat vochtig en klam was, wordt droog en wordt bedekt met een laag stof.

De gezondheidszorg in ons district is opgedeeld in verschil­lende lagen. Allereerst is er het ziekenhuis in Foso (level C). Dit is een ziekenhuis met ruim 100 bedden. Hoewel dit de helft is van de bedden in Chilonga, is het hier een stuk drukker. Er worden bijvoorbeeld 4-5 keer zoveel operaties gedaan. Het meeste van deze operaties worden gedaan door m’n twee collega's. Dit zijn Ring, een Soedanese gynaecoloog en Amoussou, die uit Benin komt. Een internationale club dus. Ring is na veel omzwervingen hier terecht gekomen. Gevlucht voor de burgeroorlog in Soedan, kwam hij in Ierland terecht, waar hij de gynaecologieopleiding deed. Daarna werkte hij een aantal jaren in Liberia. Destijds een welvarend land, maar toen de burgeroorlog daar drie jaar geleden uitbrak, moest hij alles achterlaten en kwam hij uiteindelijk in Ghana terecht. Ikzelf werk slechts een dag in de week in het ziekenhuis en heb eens in de drie weken een week nachtdienst en weekend­dienst. Genoeg om toch nog wat klinisch bezig te blijven. De level B klinieken zijn de health posts. Dit zijn klinieken met een medical assistant, een aantal verpleegkundigen en verloskundigen. Er zijn er 7 in totaal, verspreid over het district.

Om gezondheidszorg beter bereikbaar te maken voor de mensen in de dorpen is 15 jaar geleden het concept van Primary Health Care ontwikkeld. PHC poogt gezondheid te verbete­ren door o.a. samen met de bevolking de gezondheidszorg te ontwik­kelen, met vooral de nadruk op preventie (goed drinkwater, sanitaire voorzieningen, etc.). Ook in Zambia werd geprobeerd deze vorm van basisgezondheidszorg op te zetten, maar dit kwam totaal niet van de grond. In Ghana loopt dat een stuk beter. Dorpen zijn hier veel beter georganiseerd. In een aantal dorpen in ons district bestaan dorpsgezond-heidscommittees of zijn onlangs opgericht. Deze hebben op hun beurt twee mensen geselecteerd, die getraind zijn als dorpsgezondheidswerkers. In totaal zijn er het laatste jaar bijna 100 mensen gedurende 5 weken getraind. Ook hebben deze committees een klein kliniekje gebouwd, meestal bestaande uit twee ruimtes (level A). Mijn taak de afgelopen maanden was om de training van deze dorpsgezondheidswerkers te superviseren, training te geven aan de dorpsgezondheidscommittees, de kliniekjes te inspecteren en deze uiteindelijk officieel te openen. Bijna alle 40 kliniek­jes zijn nu geopend. De opening is elke keer weer een feeste­lijke gebeurtenis. Het neemt een hele dag om het programma van dans en muziek, het brengen van plengoffers aan de voorouders (pooring of libation), toespraken, geld inzamelen en eten af te werken. Sommige verafgelegen dorpen hadden een generator en grote geluidsinstallaties gehuurd en de scratch muziek dreunde door de bush. Bij één opening was de GBC (de Ghanese NOS) uitgenodigd en kwam de opening in het nieuws.

Bij de opening van de kliniek in Ngresi/Darmang ging het er wel heel speciaal aan toe. Die dag waren Florence en Douwe ook mee. Men had mij van te voren gezegd dat men me chief wilde maken, maar deed daar nogal lacherig over. Ik dacht dat ze het als grap hadden bedoeld, maar op die dag bleek men bloedserieus te zijn. De paramountchief, de hoogste chief uit het district, was ook uitgenodigd en aanwezig. Op een gegeven moment nam iemand me op de schouders en droeg me het dorp door. Ik werd met poeder bestrooid en was helemaal wit. Een nieuwe chief moet eerst gevangen worden. Daarna moest ik me omkleden en kreeg een groot kleurig kleed om me heen, van een speciaal soort stof gemaakt (Kente). Verder moest ik ook chiefschoenen aan en kreeg een gouden ketting om m’n hals. Ook Florence werd zo uitgedost als ‘Queen mother’. Vervolgens werden Douwe en ik in een palankijn=draagstoel (ik moest het woord ook opzoeken) op schouder-hoogte rondgedragen door het dorp. Een grote para­sol hing boven de palankijn. Drie grote drummen gaven het ritme aan en al deinend in die stoel en zwaaiend met een zakdoek kwamen we weer terug bij de paramountchief. Daar moest ik de eed van trouw afleggen. Met een groot kapmes in mijn hand heb ik gezworen dat ik het dorp zal helpen, ‘whether rain or shine’ (onafhankelijk van regen of zonneschijn). Het is een grote eer om als chief geïnstalleerd te worden. Ik ga nu verder door het leven als Nana Adankwa I, okoswohene (chief voor ontwikkeling) van 9 dorpen, die samen Adankwaman genoemd worden. Naast de eer zijn er ook verplich-tingen. Men wil natuurlijk dat ik me voor een aantal ontwikkelingen in het dorp inzet en hoopt dat ik ook wat geld binnen kan brengen. Het is verder ook erg boeiend om een dorp van zo dichtbij te kunnen volgen. Binnenkort ga ik met het dorpsgezondheidscom­mittee zitten om te kijken wat men het meest nodig heeft. De Nederlandse ambassade heeft al aangegeven dat er wel geld is voor sommige activiteiten, maar ik wil ook graag een beroep op jullie doen om dit dorp te steunen. Het gironummer is hiervoor opengesteld. Ik zal jullie op de hoogte houden van de ontwikkelingen.

Tot zover iets over m'n werk. Het is heel interessant. Nu er een bepaalde gezondheidsstructuur is, geeft dat gelijk ook allerlei mogelijkheden, om de districtsgezondheidszorg verder te ontwikkelen. Ik moet me wel wat inhouden anders kan ik er ook in verdrinken.

Nog even een terugkerend onderwerp van de nieuwsbrief: de ziekenboeg. Deze is nu weer leeg, maar drie weken geleden waren Florence en Koen ‘down’ met malaria. Vooral Florence was daar flink ziek onder en heeft 5 dagen met hoge koorts in bed gelegen. Uiteindelijk heeft de quinine z’n werk gedaan. Verder hebben Douwe en Koen allebei een huiduitslag met blaasjes gehad (geen waterpokken).

De december maand is ook weer bijna achter de rug. Eerst hebben we het Sinterklaasfeest bij de ambassadeur in z’n tuin in Accra gevierd. De echte Sint was er met een aantal zwarte Pieten, die de kadootjes uitdeelden aan de rand van het zwem­bad. Echte pepernoten, gevulde speculaas, en taaitaai! Douwe had zich al weken verheugd op die dag. Daarna kwam Roelof nog eens met een koffer vol sinterklaas- en kerstkadootjes, zodat we nog eens twee pakjes avonden hadden. De kerstdagen hebben we in Berekum doorgebracht. Dat is hier 4 uur rijden vandaan. Er is daar een grote Memisa kolonie, en hebben samen een leuke barbe­cue gehad. Rest ons nu nog het oud en nieuw. Een Ghanees nieuwjaarsfeest met ongetwijfeld een knallend uiteinde, want de eerste knallen van het buskruit in de bamboestokken vliegen ons al om de oren.

Wij wensen jullie ook al het beste en liefs voor 1994.


P.S. Vergeet niet het Nana Adankwa I fonds.