zondag 11 augustus 2002

Ghana revisited (18 juli - 11 augustus 2002)

Van 1993 tot en met 1996 verbleven we drie jaar in Ghana en stuurden tien Ghana nieuwsbrieven. Nu we het land opnieuw bezochten kregen we weer zin om onze indrukken vast te leggen en jullie wat over onze ervaringen te vertellen. Er is veel veranderd en niet in de laatste plaats zijn wij veel veranderd. In Cape Coast Castle hebben we hetzelfde kiekje herhaald van 1993:

18/7/02: Vertrek en aankomst (Florence)
Dat ik het zo spannend zou vinden voor vertrek had ik niet verwacht. We moesten even wat organiseren om 10 tassen bij de trein te krijgen en ook het overstappen ging in etappes. Douwe en Koen hadden er ook zin in. Douwe was erg gespannen voor het vliegen. Op Schiphol was Piety er om ons uit te zwaaien. Eenmaal in het vliegtuig was de spanning voorbij. Ik heb vooral genoten van Douwe en Koen die zich zo heerlijk vermaakten met audio/ video en vooral Koen met rondlopen en af en toe een drankje scoren.
Na zes uur vliegen waren we in Ghana. Onmiddellijk na het verlaten van het vliegtuig kreeg ik een goed gevoel: de geur, de warmte. Afrika! Na wat douaneformaliteiten – Gerard had twee lichtbakken van de GGD meegeno-men en had hier zelf formulieren voor gemaakt waar een mooi stempeltje op gezet werd – stonden we buiten Kotoka Airport. Het vliegveld is volledig veranderd. Als je nu buiten komt is er veel meer afstand tussen reizigers en ophalers. Ook waren er veel meer security mensen waardoor een en ander minder hectisch is. We werden opgehaald door de chiefdriver Mr. Bentil. Het was allemaal zo vertrouwd, het donkere Accra, de mensen. We gingen naar het Benitohouse, het guesthouse van de Spaanse sisters. Ook hier herkenning. James, de housekeeper, werkt er niet meer, maar kwam gelijk langs. Douwe en Koen waren moe en hadden het warm. De ventilator hadden ze op 5 gezet maar dit hielp niet veel. Al snel vielen ze in slaap. Onze eerste hernieuwde kennismaking met kakkerlakken en krekels gaf weer het vertrouwde gevoel. In de nacht werd ik wakker van kletterend water. Ik dacht dat iemand onder de douche stond, maar het was een forse regenbui.

Accra-Foso (Gerard)
Vrijdags gingen we naar Assin Foso, nadat we eerst wat inkopen gedaan hadden in Accra. Het wegennet is sterk verbeterd met twee- en hier en daar driebaanswegen. Het Thomas Sankara circle, waar de Nederlandse Ambassade ook ligt, was onherkenbaar geworden door de twee fly-overs (een soort Prins Clausplein). Het mag eigenlijk niet de naam van een rotonde hebben. Later ondervond ik dat de verkeerschaos er niet minder op geworden is, doordat ook de hoeveelheid auto’s enorm is toegenomen. Het kostte me anderhalf uur om van de ene kant naar de andere kant van de stad te gaan! Ik wisselde wat euro’s bij een Forex-kantoor. We waren allemaal op slag miljonair.

Het  ziekenhuis (Gerard)
We werden heel hartelijk ontvangen in het ziekenhuis. Het was opvallend hoe weinig staf turnover er was geweest. Vrijwel alle verpleegkundigen werkten er nog. Veel gehoord commentaar op ons weerzien was: ‘You have grown fat’ (een compliment) en dientengevolge: ‘Now, you are a man’!
Het ziekenhuis had een aantal forse veranderingen ondergaan. Het administrationblok was nu voltooid (accountant, hospital secretary, boardroom). Een grote polikliniek (OPD) was voor het ziekenhuis verrezen met EU-gelden. Ik heb in 1996 de plannen nog op papier gezien, en het is een kwadrant gebouw geworden met een binnenplaats: een zijde met 5 consultationrooms, een zijde met een aantal emergency lying-in rooms, een zijde met het laboratorium en cashiers office en een zijde met de PHC department. Het deed me deugd dat die laatste vleugel toegevoegd is. Aanvankelijk wilde het ziekenhuis alleen maar de eerste drie vleugels bouwen. Met de PHC afdeling is de zorg voor zwangeren (ANC) en kinderen (CWC) sterk verbeterd.
Er is de laatste zes jaar nog veel meer bijgebouwd, maar er waren ook andere zichtbare veranderingen. Elke afdeling had nu een Ghanese verpleegkundige als in-charge. Op elke afdeling was nu bijna een televisie. Elk cashier’s office is uitgerust met een computer (in totaal zo’n 6-7 computers in het ziekenhuis en administratie). Het ziekenhuis heeft nu zonne-energie. Als het licht (Akosombo) uitvalt dan schakelt het auto-matisch over op solar. Ook bracht ik een bezoekje aan het mortuarium. Dit is big business in Ghana, want men hecht veel waarde aan het begraven (burial and funeral). Hoewel er maar drie koelcellen waren lagen er ruim 30 lichamen in het mortuarium. Men kan een lichaam hier wel 6 maanden houden, nadat het gebalsemd is. Een gevolg van deze business is dat er tegenover en naast het ziekenhuis een coffin market aan het ontwikkelen is. Er waren vier kraampjes waar kisten verkocht werden. Hoewel het bij mij altijd een gevoel geeft van aasgieren – vogels die trouwens ook veel rond het ziekenhuis te vinden zijn – is het een zichtbare werkelijkheid van het ziekenhuis wel-en-wee.

Huizen (Koen)
In Ghana bouwen arme mensen een huis van modder. Dat is het goed-koopst. De modderhuizen worden gemaakt van modderblokken. Die stapelen ze op elkaar. Dat is een slap bouwsel. Als dat net gedroogd is en er een regenbui aankomt dan moet je uit de buurt zijn, anders lig je eronder. De modderhuizen hebben droog gras als dak.
Mensen met meer geld bouwen huizen van cement. Die worden gemaakt van cementblokken. Die huizen zijn veel steviger. De daken van de cementhuizen zijn van golfplaten of van dakpannen.

Weerzien van oude bekenden (Florence)
Ons bezoek stond ook in het teken van  het terugzien van oude bekenden. Het was ontroerend de eerste avond door het ziekenhuis, de warme begroe-tingen. Met name het terugzien van de verpleegkundigen op de verlos-kundeafdeling, Patricia, Sarah en Mary Essel deed me goed. Vol trots lieten ze de pas verbouwde afdeling zien met zelfs een tv. Ook het ooit met moeite verworven koelkastje stond er nog. Met plezier hebben we nog gepraat over de dingen die toen soms moeizaam waren. Wat onmogelijk leek is nu gerealiseerd. Ghanese verpleegkundigen zijn hoofd van de afdelingen geworden. Wat hebben we vaak met de sisters gepraat en dit voorstel gedaan. Als je de verantwoordelijkheid deelt voelen de verpleegkundige zich ook meer verantwoordelijk voor het werk wat moet gebeuren. Door de kleine aanwas van religieuze sisters was men ook gedwongen deze stap te nemen waardoor ze ondervonden hebben dat het nog werkt ook.
Een andere oude bekende is Dr. Ring. Ring werkte in Foso tot 1994 en was 1½ jaar onze buurman. Hij is met zijn gezin naar Canada geëmigreerd en heeft daar de Canadese nationaliteit gekregen. Ring is een Soedanees en is lang geleden met zijn gezin naar Liberia gevlucht vanwege de oorlog in Soedan. Toen ook in Liberia de burgeroorlog uitbrak zijn ze naar Ghana gevlucht. Om toch een meer zekere toekomst te krijgen hebben ze asiel in Canada aangevraagd en zijn naar Regina verhuisd. Ring is gynaecoloog en had zijn opleiding in Ierland gedaan. In Canada moest hij weer examens doen en zich helemaal inwerken in de nieuwste technologieën. Dit viel hem niet mee, zijn vrouw Moona is verpleegkundige geworden en ook de kinderen doen het geweldig goed op College en universiteit. Ring is twee jaar geleden weer terug gekomen naar Foso en gaat eenmaal per jaar naar ‘huis’. Hij was net weer twee weken terug en nodigde ons uit voor een dag gezellig bijpraten, wat eten en drinken, muziek luisteren. Het was Koen’s verjaardag, zijn vierde in Ghana. Ring had een cake gebakken en er echt iets speciaals voor Koen van gemaakt. Koen was het stralende middelpunt die dag. Koen en Douwe trokken met Deng op. Deng woont bij Ring in huis en komt ook uit Soedan. Ze hebben hem leren yahtzeeën en hebben dat menig avondje gespeeld
Ook Mr. Appiah is een oude bekende. Hij werkt in de apotheek van het district maar nu ook in het ziekenhuis. Hij was Gerard’s maatje als ze het district in gingen. Zijn vrouw bakte altijd brood voor ons. Ze bakt nog steeds dus gedurende ons verblijf konden we weer rekenen op haar heerlijke broden. Mr. Appiah heeft ons meegenomen naar zijn huis die nu bijna af is. Huizen bouwen is vanwege geld een meerjarenplan, hij was al begonnen in ‘94 en we zijn nu acht jaar verder.
Op dinsdag, nadat we een wandeling door het dorp hadden gemaakt, kwamen we Prince tegen. Prince, voor degene die het niet (meer) weet, was de man die ons huishouden deed. Hij kookte een paar maal per week voor ons en maakte het huis schoon. Hij zat ons op te wachten voor het ziekenhuis. Ik herkende hem meteen. Klein, donker en een mooie wit/blauw gestreepte blouse aan die hij, zoals hij later vertelde, nog van ons had gekregen zo’n acht jaar geleden. “Hij bewaarde alles zorgvuldig” zei hij. We gingen wat met hem drinken in het ziekenhuisrestaurant. Prince had foto’s bij zich van hem met Douwe en Koen en van zijn familie. Ook had hij een foto van Stella die drie jaar voor Douwe en Koen heeft gezorgd. Stella is helaas begin dit jaar overleden, een maand nadat ze was bevallen. Haar kindje had maar vier dagen geleefd. Ik had bij het plannen van onze reis er naar uitgekeken Stella te ontmoeten. Ze had ons geschreven dat ze zwanger was en dat als het een jongetje was het Koen zou gaan heten. Het liep allemaal anders. Toen we daar zo met Prince zaten, miste ik Stella. Tijdens ons verblijf kwamen er vaker herinneringen aan haar naar boven. Met Prince maakten we een afspraak om aankomende donderdag samen met hem en Mr Appiah naar de ouders van Stella te gaan om ons medeleven te betuigen en afscheid te nemen. Prince zou de ouders op de hoogte brengen van ons bezoek.
De ouders van Stella wonen achter in Foso, een stuk van de doorgaande weg af. We kronkelden tussen huisjes door en kwamen regelmatig bekende medewerkers van het ziekenhuis tegen. De vader van Stella was bezig met het wegslaan van het hoge gras op het pad, zodat wij er makkelijk langs zouden kunnen. We werden ontvangen op de veranda en volgens Ghanees gebruik werd naar ons doel van het bezoek gevraagd. Na wat heen en weer gepraat werden we welkom geheten en gingen er foto’s en fotoboeken van Stella rond. De moeder was erg verdrietig en huilde. Ook de vader was geëmotioneerd. De foto’s brachten ons weer terug naar de tijd dat we in Ghana woonden, een tijd waarin Stella een belangrijke rol in ons leven innam. Het was een ontroerend maar ook een bevredigend bezoek. Ook Douwe en Koen waren aangedaan en waren onder de indruk van deze bijeenkomst. (Later, tijdens ons weekend in Londen hebben ze een kaarsje voor Stella aangestoken in de Westminster Cathedral). Na het bezoek gingen we naar het huis van Prince waar we een cola te drinken kregen. Het leek wel of alle kinderen van Foso achter ons aan waren gekomen. Ze stonden in drommen om de veranda heen naar ons te kijken. Prince die duidelijk niet goed raad wist met de menigte liet zijn neef de kinderen wegjagen. Douwe vroeg later nog wat het ‘toverwoord’ was dat de jongen gebruikte, ze stoven werkelijk uiteen en waren verdwenen. Na een fotosessie, gingen we weer huiswaarts we hadden een goed gevoel aan deze dag overgehouden.

Slavernij (Koen)
Rond zeventienhonderd waren er Nederlanders die mensen uit Afrika kochten en naar andere landen brachten. Ghana was het slachtoffer gewor-den. Er werden mensen uit huizen getrokken en die werden op de markt verkocht. Die mensen werden slaven genoemd. Ze werden vastgehouden in een fort. Twee bekende forten zijn Cape Coast en Elmina. In Cape Coast moesten de slaven door donkere gangen. Er was geen licht, alleen een kijk-gat voor ventilatie en om dag en nacht uit elkaar te houden. In die donkere gangen waren er minimaal 1500 slaven. Je kreeg daar een keer per dag eten en drinken. De mensen poepten en plasten daar. Er was een gootje en als het geregend had of als het vloed werd dan kwam er water door dat gootje en dan werd het poep en de plas meegesleurd. Er was ook een spionnengat. Door dat gat kon je afluisteren wat ze tegen elkaar zeiden. Als je iets slechts over Nederland zei dan werd je in de cel gegooid en dan wist je dat je er niet meer uitging. De slaven gingen door de poort van ‘no return’, dat betekent dat je nooit meer terug komt.
Er waren op het fort kanonnen om piraten te bombarderen. Cape Coast fort was eerst een opslagplaats voor hout. Dit was bezet door de Zweden. Daarna was het een militaire oefenterrein van de Engelsen. Nu is het een museum.
Elmina Castle werd door de Portugezen gemaakt. De Nederlanders waren slim en veroverden het fort vanaf het land, dus van achteren. Het kerkje van de Portugezen was buiten het fort, en de Nederlanders maakten een kerk binnen het fort. De Nederlanders maakten een uitkijkpost achter het fort. De Nederlanders hebben heel veel slaven naar Amerika gebracht. Ze werden met schepen vervoerd. De handen, voeten en het hoofd van de slaven werden met kettingen aan elkaar vastgemaakt.

Uitstapjes (Douwe)
Kusten: de laatste dagen van onze vakantie brachten we door aan de kust. Witte stranden en grote palmbomen. Veel lezen en zonnen. De zee was erg sterk en ik las uit verveling mijn eerste roman (De Passievrucht) wat achter af heel erg bleek mee te vallen. (Mijn vader komt tijdens dat ik dit schrijf even kijken en zegt dat voor ik het weet mijn eigen roman heb geschreven).
We hadden een bal gekregen en die hadden we in het zand begraven maar niet terug gevonden. We waren eerst naar Brenu’s Beach Resort geweest met een restaurant op het strand. Volgens mijn vader kwamen we daar vroeger redelijk vaak (denk er aan: ik kan daar namelijk niets van herinneren). Daar hadden ze sinds een jaar of 3 acht kamers. Daar hebben we een paar nachten geslapen.
Het tweede zee-hotel genaamd Till’s No. 1 Hotel kon ik me wel herinneren, vooral een groot schaakspel wat er stond en de hotelkamers.
Kakum: Kakum [ka-koem] is een nationaal park van Ghana met een “canopee walk” (een boom tot  boomloop over touwbruggen 40 meter hoog door ik bedoel over het tropisch regenwoud). Het was wel melig want er waren Nederlandse rasta mensen en die deden de hele tijd melig over het nieuwe middel lariam®  (een middel tegen malaria). Toen iemand een beetje vaag deed zeiden ze dat is de lariam® man. Of  als iemand een scheet liet zeiden ze je lariam® begint te werken (één van de bijwerkingen van lariam®  is diarree).
Bosomtwi: Bosomtwi is een meer met heel veel dorpjes eromheen. Ze hebben er bootjes (meer houten planken) en met triplex plankjes kun je peddelen. Er is iemand die zich dorpsgids noemt en geld uit toeristen probeert te trekken.
Dat was mijn stuk. Ik hoop dat jullie het een beetje leuk vonden en bye-bye!!!

Feyenoord (Gerard)
In een uitzending van Zembla hebben we eens gezien dat Feyenoord een trainings-/ opleidingskamp in Gomoa Fetteh begonnen was. Dit is waar ook het hotel met de schaakstenen stond, dus een mooie gelegenheid om ‘Stadion’, zoals we onderweg te horen kregen, te bezoeken. Het kostte veel moeite om toegang te krijgen tot het complex. De talentjes waren sinds twee dagen ‘on vacation’ en Mr Broekink was er ook niet om zijn fiat te geven (de tv-uizending had het over de nieuwe slaven!). Een van de jeugdteams was nu in Nederland, een ander in Zuid-Afrika. Hoewel wij dit initiatief zeer kritisch bekijken, is dit een droom van een Afrikaans jongetje: profvoetballer, en daarnaast gedegen onderwijs. We moeten de komende jaren Jordan volgen. Hij zou al bij de jeugdselectie van Feyenoord Rotterdam voetballen.
Uiteindelijk kregen we een rondleiding en zagen mooie gebouwen waar 68 voetbalscholieren van 12 tot en met 17 onderwijs kregen (middelbare school). De satellietschotel op het dak verzorgt de uitzending van voetbal-matches en zo heeft men dus ook de finale van Feyenoord in mei kunnen zien. De voetbalvelden lagen er mooi bij, met een echte sprinkler-installatie en een kunstgrasveld-in-aanleg. Onze gids van de dag, Roger, gaf Koen het adres van Patrick Baah (even oud als Koen en een toekomstige ster) en zei dat hij maar met hem moest schrijven en dat Patrick ons zou komen opzoeken als hij voor een jeugdtoernooi in Nederland komt. Security was zo strikt dat we Roger niet in verlegenheid wilden brengen om hem te vragen of we foto’s mochten maken. Op de terugweg namen we daarom Koen op de foto bij de afslag naar het ‘Stadion’.

10/8/02: Terugreis (Gerard)
De laatste dag kochten we nog snel wat souvenirs op het National Art Centre, dit is de toeristenmarkt in Accra. Het is nog altijd even hectisch. Kijken betekent kopen. ‘We give you a good price’ en voordat je het weet loopt iemand met beeldjes of stoffen achter je aan. We kwamen een paar leuke beeldjes tegen van voetballers in Feyenoord en Ajax outfit. De Feyenoord-transactie verliep vlot, maar de Ajax-koop konden we amper nog betalen. Deze speler was ook veel duurder: ‘much better quality’. Het ging over het hout en de verf.
Op het vliegveld konden we nog even aanschouwen hoe de president binnengehaald werd. We zaten te wachten in de vertrekhal en zagen hoe de rode loper uitgerold werd. President Kouffour was een aantal weken in Maleisië en India geweest en kwam nu aan met een British Airways lijnvlucht. Omringd door ‘his entourage’ en de pers liep hij op korte afstand van ons naar de persruimte. Scherpschutters op de daken maakten het wel een beetje angstaanjagend. De karabijn werd zo nu en dan ook op ons gericht, waar wij in de open ramen het tafereel aanschouwden. De KLM bracht ons na een nachtje vliegen en weinig slapen weer terug op Schiphol.

zaterdag 13 februari 1999

17. Cholera in Lusaka en Chief Hamusonde op 119 jarige leeftijd overleden

Bijna een week in Zambia en al halverwege mijn missie. Het is wel erg kort om hier maar twee weken te zijn. Vorige week zondag kwam ik in Lusaka aan na een lange reis met tussenstops in Nairobi en Lilongwe. Kenya Airways was zo aardig om 26 koffers en 2 puppies in Nairobi te laten staan. Ik kwam alleen met m’n papieren en gelukkig deze keer wel met computer in Zambia aan. De zwem die ik me voorgesteld had in het Pamodzi zat er niet in. De zwembroek zat ook in mijn koffer. Pamodzi was vol, maar ik kon toch nog een kamer krijgen. Deze week is er een conferentie van SADC, Southern African Development Community. Alle ministers van Buitenlandse Zaken uit de zuidelijke regio zijn daarbij aanwezig en de meeste zitten in dit hotel. Het is wel grappig om dezelfde mensen van de ontbijttafel ‘s avonds op het ZNBC nieuws te zien. Ik herkende bij de lift de minister van BZ van Zuid-Afrika, Alfred Nzo. 
Maandag moest ik wel een paar onderbroeken, overhemden en sokken kopen. Het is hier erg zweterig en ik voelde me niet erg lekker meer in de kleren die ik ook al een nacht in het vliegtuig aan had gehad. Gelukkig kwam dinsdag bericht dat m’n koffer was gearriveerd en kon ik deze’s avonds ophalen

Ik merk nu wat een verschil het is om met een counterpart te werken. Het werk loopt gesmeerd. Zondagavond kwam Anne Mtonga me opzoeken in het Pamodzi en konden we het programma doornemen. Maandag een briefing gehad over het werk en verschillende mensen ontmoet. Anne heeft een auto en ik ben dus niet afhankelijk van allerlei taxi’s. Dinsdag waren de surveillance officers uit de regio bij de WHO en hebben we met hen tot vrijdag vergaderd. Ook aan allerlei logistieke dingen hoef ik niet te denken. Plaats, tijd en programma wordt allemaal geregeld. Volgende week staan nog een paar vergaderingen en afspraken gepland en kan ik ook wat veldwerk doen. Tenminste als de cholera-epidemie een beetje onder controle gebracht wordt. Sinds half januari is er cholera in het land en men heeft daar veel te laks op gereageerd. Dinsdagochtend ben ik meegegaan naar een cholerabehandelcentrum waar alleen al die nacht 38 mensen opgenomen waren. Het was ‘congested’. Patiënten lagen op de banken van de polikliniek. Een beeld dat op mijn netvlies blijft hangen, al die patiënten met holle ogen, aan i.v.-drips. Vervolgens was er een vergadering van de Cholera Task Force. De lucht van desinfectans (ontsmettingsmiddelen) hing om ons heen. De mensen in de vergadering toonden weinig daadkracht. Zo, werd de volgende vergadering pas voor de volgende week gepland. Eind van de week nam de minister daarom zelf het roer zelf over. En met veel verve moet ik zeggen. Ik ben vrijdag en zaterdag meegegaan om te kijken hoe het gaat en of ik nog ergens kan bijdragen. Ons surveillanceteam heeft de getallen bij elkaar geraapt en een en ander in curven zichtbaar gemaakt. Het aantal gevallen van cholera zit al dik boven de 1000.

Inmiddels gaat de tijd hier erg snel. Bijna geen tijd om nog andere dingen te doen, zoals deze brief afschrijven. Zondag heb ik een aantal uren doorgebracht in een cholerabehandelcentrum (Matero) om wat overzicht te krijgen van de cholera-epidemie. Het was een schokkend beeld. Matero is maar een klein centrum, eigenlijk maar één grote ruimte waar het vol lag met cholerapatiënten. Ook buiten onder de boom zaten of lagen zo’n 15 patiënten en in een legertent nog eens 10 patiënten. Bij elkaar dus zo’n 80 patiënten. Ik heb in een kantoortje eerst een paar uur naar de data gekeken en ingevoerd in een computer om wat analyse van patiënten en dergelijke te kunnen doen. Daarna met een verpleegkundige langs de patiënten en een paar geïnterviewd. Cholera is een ziekte die via het water, voedsel, contact met braaksel of ontlasting overgebracht wordt. Het beeld van de overdracht hier was me niet helemaal duidelijk. Een man was heel zeker dat hij het gekregen had van het water dat hij onderweg had aangenomen. Geen andere mensen in zijn omgeving waren ziek. Een paar kinderen waren ziek geworden. Waarschijnlijk hadden ze uit school onderweg uit een besmet ‘riviertje’ wat water gedronken. Bij andere patiënten kon ik niet duidelijk aanwijzing vinden van de overdracht van de bacterie. Deze week zou iemand bij de twee grote cholerabehandelcentra in Lusaka gegevens verzamelen zodat dit later geanalyseerd kan worden. Het is wel duidelijk dat cholera nu wijdverspreid is en actie ook meer algemeen moet zijn. Inmiddels zijn verschillende trucks bezig om het vuilnis uit de shanty compounds te halen. Water wordt nauwkeurig gemonitord op chlorine gehalte. Een aantal waterpijpleidingen zijn hersteld. Ondertussen is een uitgebreid voorlichtingsprogramma op gang gekomen. En hier wordt driftig gesprayd als er weer een cholerapatiënt binnenkomt.

Maandag en dinsdag ben ik in Kabwe geweest voor het ‘active surveillance’ programma. Het was een zeer leerzame ervaring. In het polioeradicatieprogramma zijn we op zoek naar alle gevallen van acute kinderverlamming en willen we aantonen dat dit niet veroorzaakt wordt door het ‘wilde’ poliovirus. Op deze manier kun je de afwezigheid van polio aantonen! Vandaag in het Kabwe General Hospital, na veel speurwerk via allerlei records, admission books en gesprekjes met dokters, etc. kwamen we bij de fysiotherapieafdeling. Een jongetje van 2½ jaar zat daar te oefenen met een ballon. Hij had een acute verlamming van beide armen en beentjes, waarschijnlijk ten gevolge van het Guillain Barré Syndroom, een neurologische ziekte die een tijdelijke verlamming geeft. Ik had niet verwacht dat we ook nog gevallen daadwerkelijk zouden zien. Bedoeling van ‘active surveillance’ is ook om gezondheidswerkers te motiveren dit soort patiëntjes op poliovirus na te kijken. Dat ook dit werkte bleek toen wij uit het ziekenhuis weggingen en de ziekenhuisdirecteur ons enthousiast kwam vertellen dat hij net een kind op de polikliniek had met waarschijnlijk een acute verlamming ten gevolge van tuberculose. We zijn dus uit Kabwe weggereden met ontlasting voor verder onderzoek in een koelboxje.
Nog een paar dagen te gaan: de rapporten schrijven, ‘debriefen’, etc. Het ‘normale consultancywerk’. Het was opnieuw een bijzondere ervaring in Zambia. Als je zo de kranten leest, gaat het niet goed in Zambia. Er staan veel artikelen in de krant over honger in verschillende delen van het land. Dit keer niet door regen of droogte, maar gewoon omdat men geen zaden en kunstmest kan betalen. Verder volop discussie over Chiluba die wapens aan de UNITA-rebellen zou hebben verkocht. UNIP, de partij van Kaunda, is weer een beetje uit het dal aan het klimmen. Zij hebben deze week de zetel van Mbala veroverd in een ‘by-election’. De zetel was vrijgekomen nadat de vroegere minister van financiën, Penza, een paar maanden geleden bij een roof vermoord is. Volop speculatie in de kranten of het wel een roofoverval was. Penza was , na zijn ontslag begin vorig jaar, een criticus van het kabinet. En verder vermeldt de krant hier dat Chief Hamusonde vorige week overleed. Hoewel de levensverwachting van Zambianen zo rond de 40 ligt, zijn er ook Zambianen die heel ook worden: Chief Hamusonde werd 119 jaar. MHSRIP.

dinsdag 8 september 1998

16. Survival weekend

Western Province was de enige provincie in Zambia die ik nog niet had bezocht. Een beetje gek voor een Nederlander die in Zambia werkte, omdat het een tijd lang de twaalfde provincie van Nederland werd genoemd. De Nederlandse overheid concentreert ontwikkelingshulp in dit gebied en hier werken dus ook de meeste Nederlandse artsen. Toen ik twee weken geleden zag dat in Kalabo een mazelenepidemie aan de gang was, heb ik voorgesteld om hier eens te gaan kijken en eens dieper in de gegevens te duiken.
Zondag 6 september zijn we van start gegaan in Lusaka. We hadden gehoopt om dezelfde dag nog Kalabo te bereiken, maar vertrokken echter drie uur later dan gepland. Lusaka heeft 4 grote uitvalswegen: Great East, Great North, Great South en Great West Road. Wij moesten dus de laatste hebben. Even buiten Lusaka het enige verkeersbord met plaatsnamen die we tijdens de reis tegen zouden komen: Mongu, de provincie hoofdstad, 591 km; Kaoma 400 km. Lusaka-Mongu is dus ongeveer net zo ver als Amsterdam-Parijs. De omgeving was vergelijkbaar met wat we gewend waren in het noorden van Zambia. 
Het enige grote verschil is dat we nu door een natuurreservaat reden: Kafue National Park, zo ongeveer ter hoogte en ter grootte van België. We zagen wat wilde zwijnen-families en veel antilopen. Net voor donker kwamen we in Mongu en zochten een hotelletje. Mongu ligt wat hoger en we keken over de vlakte uit waar we de volgende dag verder zouden rijden. Kalabo ligt aan de andere kant van de Zambezi. In de regentijd is de Zambezi buiten zijn oevers en moet je de volledige oversteek per boot maken. Nu kun je tot aan de Zambezi rijden, een rivier van zo’n 300 meter breedte,  en met een ‘pontoon’ oversteken. 
met de pont naar de overkant
Het gebied is bij toeristen bekend om de verplaatsing van de Lozi chief in de regentijd. Als het water stijgt, gaat de chief met zijn familie/stam en met veel ceremonieel naar Mongu waar hij ook nog een chief palace heeft. Dit trekt altijd veel bekijks. 
De uiterwaarden van de Zambezi zijn erg vruchtbaar. Men verbouwt er onder andere rijst. Verder zagen we veel koeien onderweg. Het gras was nu een beetje verdroogd; het leek vooral op stro, met hier en daar balen stro voor het vee. Geen wonder dus dat Nederlanders dit gebied helpen te ontwikkelen. Iemand in Lusaka noemde het gebied ‘het Giethoorn van Afrika’, en we zagen inderdaad veel ‘punters’. Verder lijkt het bijvoorbeeld ook veel op de Veenkoopse plassen. De geur van het droge gras komt mij ook heel bekend voor.
De weg van Mongu naar Kalabo is 75 km. Eigenlijk kan je niet meer over een weg spreken. Veel stukken waren mul zand, een soort Hulshorster zandvlakte. Daarbij komt dat we een chauffeur hadden die volgens eigen zeggen wel eerder in Kalabo was geweest, maar duidelijk de weg niet kende. We kwamen twee keer vast te zitten, doordat de 4 wheel drive grip verloor op het zand. De eerste keer hebben we de whinch (de lier) nog afgerold om te kijken of we de auto er op die manier konden uittrekken. Dit moest wel gebeuren met behulp van de handleiding, want de chauffeur had denk ik nog nooit eerder vast gezeten of de lier gebruikt. Uiteindelijk kwamen we met takken en bladeren onder de wielen weer los. Doordat niemand de weg kende, volgden we vooral de sporen van andere auto’s, maar verloren op een gegeven moment track. We hebben dus een heel andere route naar Kalabo genomen, maar zoals iemand opmerkte: “alle wegen leiden naar Kalabo”. Na een tocht van 5-6 uur kwamen we in Kalabo aan. Een beetje uitgeput en uitgedroogd. Het was ook al erg heet geworden. Ik denk dat iedereen op zijn minst 3 flesjes cola of Fanta achterover sloeg om weer een beetje bij positieven te komen. De nshima met vis deed de rest en we konden aan de slag.


"lokale ambulance"
In Kalabo namen we de gegevens van de mazelenepidemie door en analyseerden deze. Verder hebben we ‘active surveillance’ in de beide ziekenhuizen gedaan. Tijdens deze activiteit ga je door de registers van de OPD (polikliniek) en van opnames in het ziekenhuis, om te kijken voor welke patiënten worden opgenomen en hoe die gerapporteerd zijn. Het meest interessante en belangrijkste hierbij vind ik het contact met de betrokkenen. In de gesprekken kom je vaak veel meer te weten dan wat je ooit uit de boeken kan halen. Zo leerden we o.a. dat een aantal mensen in het ziekenhuis dachten dat je de mazelenvaccinatie bij 6 maanden moest geven. Dat bleek ook in het verleden veel gebeurd te zijn, want een aantal kinderen dat nu mazelen ontwikkelde, waren op 6 maanden leeftijd gevaccineerd. Dit geeft niet de gewenste bescherming.
Kind met mazelen
De twee avonden besteedden we voornamelijk aan de analyse van de gegevens. Een van de taken van de surveillance officers is dat zij deze analysecapaciteit op districtsniveau moeten versterken. Op woensdagochtend hadden we een debriefing sessie met de DHMT (district health management team) en gingen daarna weer op pad naar Mongu. Eerst moest nog wel een aantal koelboxen volgestopt worden met vis. Je kunt niet uit Kalabo komen zonder vis!
Visje eten uit plastic bakje (!) bij de Zambezi


Dit keer reden we zonder problemen naar Mongu/Kaoma. We waren nu wel zo verstandig om iemand mee te nemen die de weg kende. In Kaoma na een korte nachtrust, ging de reis om 5 uur ’s ochtends weer verder naar Lusaka. Met de opkomende zon reden we door het Kafue park. Omdat het nog zo vroeg was, troffen we veel beesten langs de kant van de weg: kudu’s, waterbokken, buffels, zebra’s en zowaar drie olifanten. Iedereen opgewonden. Om 11 uur bereikten we de grote stad, een succesvolle reis achter de rug. Het was ook erg gezellig. De reis met alle obstakels heeft een hecht team gecreëerd. Zeg maar dat het een geslaagd ‘survival weekend’ was.
Olifanten in Kafue National Park

zaterdag 5 september 1998

15. Niet (te) zichtbaar in Pamodzi

Inmiddels al bijna weer twee weken in Zambia. De eerste week heb ik me vooral bezig gehouden met het voorbereiden van de training en het ontwikkelen van onderwijsmateriaal (voorbeelden, overheads, etc.). De tweede week was gepland voor de training. Het organiseren van workshops is nog steeds een heikel issue. De minister van gezondheidszorg, Luo, had in april workshops in de ban gedaan. Ze vond dat men hier teveel met trainingen bezig was en te weinig het geleerde in de praktijk omzette. Dit is zeker waar, maar vervelend als het je zelf raakt. In eerste instantie wilde ik dus de ‘oriëntatie’ in het Central Board of Health houden. Ik werd teruggevloten. Men wilde het korter en ergens anders. Ik kon een klein zaaltje in het Pamodzi Hotel boeken met lunch. Zaterdags kwam iemand me vertellen dat men toch de workshop liever in een minder ‘visible’ (zichtbare) locatie wilde organiseren. Men weet dat de minister niet graag de healthcare workers in een sjiek hotel als Pamodzi ziet. We hebben nog even geprobeerd om de workshop te verplaatsen, maar uiteindelijk is het daar toch gehouden. Van dinsdag tot en met vrijdag vond de training plaats.
Het was leuk om zo een aantal dagen met een klein groepje op te trekken: de vijf surveillance officers en een epidemioloog van het CBoH. Een aardige voorbereiding op de tropencursus die ik straks in Nederland ga coördineren. Het was echter ook intensief om zo 6-7 uur per dag bezig te zijn. ‘s Avonds was ik kapot. De helft van de tijd heb ik lesgegeven en de andere helft van de tijd heb ik het praktisch ingedeeld, met o.a. wat computeroefeningen.
Huis en auto van Sara Davis
Het verblijf in Lusaka is nu nog aangenamer geworden. Behalve dat Sara haar huis aan bood, mag ik ook haar auto gebruiken tijdens haar afwezigheid. Het was vorige keer een hele ‘huzzle’ om elke keer weer een taxi te vinden. Je bent er veel tijd en geld mee kwijt. Nu kan ik in een paar minuten veel doen. Je rijdt even naar WHO, UTH of CBoH toe om wat af te spreken. Vanaf het huis van Sara in Kabulonga is het 10 km naar de stad. Er zijn ’s ochtends geen grote verkeersopstoppingen. In 10 minuten lukt het me meestal om bij de WHO te komen. De cursus in Pamodzi liet ik om 8.30 uur beginnen. Ik had daarvoor meestal nog een half uurtje bij de WHO om nog wat overheads en fotokopieën te maken, en om een e-mailtje weg te sturen. Binnen 5 minuten was ik dan bij Pamodzi. Dit soort acties kostte me vorige keer bijna 2 uur!
De landelijke en vier regionale surveillance officers en de nationale epidemioloog
We zijn inmiddels druk met de trip naar Kalabo waar we veldwerk gaan doen met de ‘cursusgroep’. Het belooft een interessante onderneming te worden.

donderdag 27 augustus 1998

14. Ontmoeting met Professor Tomori

Alweer een week onderweg. De tijd gaat snel. Met zo’n korte consultancy zit je voor je het weet al op de helft! Vorige week woensdag vertrok ik via Londen naar Harare. De vlucht met British Airways was erg aangenaam. WHO had een businessclass-ticket gegeven. In de Boeing 747-400 zit de businessclass boven de economy class. Veel beenruimte, lekkere stoelen en goed eten natuurlijk. Helaas miste ik het hoofdgerecht, want ik was na het voorgerecht in diepe slaap gevallen. Ik werd wakker toen men aan het afruimen was. Er stond nog een traytje op de kar met een nagerecht voor mij. Ook de rest van de reis heb ik grotendeels slapend doorgebracht en ik kwam uitgerust om 8 uur ’s ochtends in Harare aan.
In Harare moest ik m’n eigen weg vinden. Een taxi reed me door de stad en het was erg moeilijk om het WHO kantoor te vinden. Na een paar keer vragen, kwamen we bij het grote ziekenhuis (Parirayena Hospital). Ook hier geen bordje met het WHO logo te bekennen. Bij een gebouw waar de verf aan het afbladeren was en patienten naar binnen liepen, zei de taxichauffeur dat de WHO hier gehuisvest was. Alleen een bordje met ‘WHO-parking’ deed vermoeden dat hij inderdaad gelijk had. Na een paar gangen en trappen kwam ik inderdaad bij het WHO kantoor. Dit is het ‘regionale’ WHO kantoor voor Afrika: WHO AFRO. Vroeger was dit gevestigd in Brazzaville, Congo, maar door de burgeroorlog daar, is het kantoor al drie jaar ‘tijdelijk’ naar Harare verplaatst. Het was inderdaad goed te zien dat dit een tijdelijke oplossing was. Geen airconditioned gebouwen, maar kamertjes waar 4-6 mensen dicht op elkaar zitten. Veel dozen met archieven in de gang en knusse keukentjes die als kantine dienden. De cola die ik bestelde kwam uit een literfles. Erg ongewoon in Afrika waar de markt overspoeld is met kleine Coca Cola en Fanta flesjes. Wat verder nog opviel was dat de omgangstaal vooral Frans is. Gelukkig waren de meeste mensen tweetalig.

Ook dit keer liep mijn bezoek niet vlekkeloos. De persoon die ik moest zien, Mac Otten, zat in een workshop en ik ontmoette hem pas aan het eind van de middag. Na een korte briefing, ben ik meegegaan naar zijn huis en heb daar ‘s avonds gegeten. De volgende ochtend mee naar de workshop voor ‘laboratory directors’ van de 15 virologische laboratoria in Afrika die betrokken zijn in het polioprogramma. Het was leuk te zien, hoe snel je de groep mensen leert kennen die hierbij betrokken zijn. Naast Mac, kende ik Keith Shaba (AFRO) ook van de workshop in Livingstone afgelopen maart. Charles, de laborant uit Uganda was destijds ook in Livingstone aanwezig. Dr. Monze, de viroloog van UTH, kende ik natuurlijk van Zambia. Verder was een Amerikaanse consultant van CDC Atlanta in de meeting. Hij was ook in Genève gedurende de training begin dit jaar. Van het WHO hoofdkantoor Genève was verder nog een viroloog, David Featherstone, die ik vorig jaar tijdens mijn eerste oriëntatie bij de WHO al had ontmoet. De vergadering werd voorgezeten door Prof. Nkrumah en Prof. Tomori. De eerste had ik al eens in Cape Coast gezien tijdens een training. Hij is de zoon van de eerste Ghanese president, Kwame Nkrumah. De leukste ontmoeting was met Prof. Tomori. Hij heeft een bijdrage geschreven voor het boek van de Nederlandse Vereniging voor Tropische Geneeskunde, dat ik vorig jaar had samengesteld. Ik had ooit een bijdrage van hem op een discussielijst op het internet gelezen. Ik vond het een erg scherp verhaal en vroeg hem in december of hij een stukje wilde schrijven over de betrokkenheid van westerse organisaties in research in de tropen. Omdat ik niet wist of hij man of vrouw was, begon ik m’n maitje met ‘dear sir/madam’. Zijn eerste reactie was ‘I’m of the male gender’ (‘Ik ben van het mannelijke geslacht’). Pas later schreef hij dat hij in het WHO AFRO kantoor werkte. In Genève zag ik zijn naam op een overhead staan en wist dus dat hij ook in het polioprogramma werkte. Deze zomer had ik hem het boekje toegestuurd en hem bedankt voor zijn bijdrage. Je kunt je voorstellen hoe grappig het was om elkaar nu in levende lijve te zien.

Vrijdagmiddag vloog ik door naar Zambia met Aero Zambia. De businessclass in het vliegtuig van Aero Zambia had 12 stoelen. Voor me zat, bleek al snel, een VIP. Mensen kwamen handjes schudden, stewardessen deden zenuwachtig en een ‘entourage’ was bij hem. De persoon naast hem, waarschijnlijk een MP/parlementslid, vertelde hem dat hij voor zijn dorp een community centre wilde bouwen, de anderen zaten ook voortdurend als vliegen om hem heen of lachten hard mee om zijn grapjes. In Lusaka stond een militaire afvaardiging en de tv hem op te wachten. Toen wij het vliegtuig verlieten zei hij tegen een van zijn volgelingen ‘Be ready for any questions!’. De volgende dag las ik in de krant dat de minister van buitenlandse zaken een bezoek aan zijn collega in Zimbabwe had gemaakt, in verband met de DR Congo crisis.

Maandagmiddag rapporteerde ik me bij de WHO en het Central Board of Health (CBOH). Men was niet op de hoogte van mijn komst. Zoals gewoonlijk. We proberen nu de training van de surveillance officers van de grond te krijgen. Deze gaat waarschijnlijk volgende week van start. Ondertussen kan ik het trainingsmateriaal voorbereiden en wat bijpraten. Ik heb een leeg kamertje in het WHO kantoor gevonden en heb nu eindelijk eens een rustig plekje om te werken. Bovendien een mooi uitzicht over Lusaka, zo 6 hoog, en ook tijd om deze brief even te schrijven.

maandag 4 mei 1998

13. Brendah Mubanga



’s Middags ging ik op de fiets naar Kaombe om Brendah op te zoeken. Ze werkt niet meer voor de dokters in Chilonga. Ik had met Joseph Mwila afgesproken. We gingen eerst bij zijn neef op bezoek. Deze was ziek uit Luanshya gekomen met aids. In het huis zaten 5 oude vrouwen aan zijn bed, waaronder de moeder van deze man. De moeder was de zus van Joseph, zo’n 60 jaar oud. De man zelf 42 jaar. Hij was niet meer bij kennis en lag te rochelen. Ik denk niet dat hij de avond nog gehaald heeft. We konden redelijk open over aids praten en volgens Joseph is dat nu niet meer zo’n taboe dan 6 jaar geleden.
met Brendah
Brendah met haar zelfgemaakte wijn
Bij Brendah heb ik een uurtje in huis gezeten. Ze was al op de hoogte dat ik zou komen. Zo’n bericht gaat als een lopend vuurtje. Het was erg leuk om haar weer te zien. We hebben over haar kinderen en over Florence, Douwe en Koen gepraat. Zij heeft zelf ook twee kinderen Julian en Peter. Julian zit nog op school, in de hoogste klas van Chinsali Girls School. Peter was van school gegaan omdat ze de schoolbijdragen niet meer kon betalen. We zullen proberen om hem weer op school te krijgen. Ik had gehoord dat Brendah nog wel eens ziek was, maar het viel me gelukkig niet tegen hoe ze eruit zag. Ze probeert nu een beetje rond te komen van wat kleine handel in sigaretten en wijn. De wijn maakt ze van gist en suiker. Ik heb ook een glaasje geproefd: niet onaardig, maar ook niet bijzonder.
De zonsondergang, tijdens het terugfietsen naar Chilonga
Zondag kwam Tuesday Chandwe me ophalen met een busje. Ook hij was magerder geworden, maar dat kwam volgens hem omdat hij heel hard werkt. Hij heeft samen met een businessman een privékliniekje opgezet en voor zo’n 15.000 gulden geïnvesteerd. Het was een aardig kliniekje en zo naar zijn boeken kijkend, doet hij het goed. Er zit een laboratorium bij. Hij heeft zuurstof, etc. Patiënten betalen gemiddeld zo’n 10 gulden en hij ziet er 10 per dag.
Ook in Mpika bezocht ik nog verschillende mensen. In Mpika ziekenhuis kwam ik Prisca Bwalya tegen, een verpleegkundige uit Chilonga. Haar moeder, Hildah, bezocht ik later in Tazara. Ze was verbaasd en herkende me eerst niet. Ze zaten op de bank naar voetbal te kijken. Het Zambiaanse voetbalteam speelde tegen Angola in Luando. Eigenlijk hadden ze de dag ervoor moeten spelen, maar het Aero Zambia vliegtuig kon niet vertrekken, omdat - zo stond in de krant - "the battery was flat". Naast Hildah, zat haar zoon Eddie, die mentaal niet helemaal goed was. Hij zat een beetje voor zich uit te staren. Het zoontje van Prisca was ook in huis, en was erg ondervoed. Hij hoestte al een tijd en had diarree. Duidelijk een kindje met aids. Hildah was erg oud geworden, en bezorgd natuurlijk. Een zieke zoon, een ziek kleinkind. Haar haren waren grijs.
Verder ging ik nog naar het huis van de Chandwe's, naar Mr. Daka, een leraar uit Tazara die vroeger met het aids-programma hielp en een businessman, Mr. Mwape, die Chandwe's kliniek financiert. Via hem kon ik gemakkelijk aan een eerste klas ticket komen, en hoorde dat de trein later zou arriveren. Ik kon dus gewoon tv blijven kijken en hoefde niet uren op het station te wachten. De reden van de vertraging was volgens mijn medepassagier dat in Kasama de politie die achter een dief aan zat en had geschoten op twee mensen die onder de trein kropen. Dit waren echter electriciens die de trein inspecteerden! Ze zijn naar het ziekenhuis afgevoerd.
In Kapiri Mposhi kwam ik Theresa Chama tegen. Ik had haar in Chilonga ziekenhuis al gezien en zij was in Chilonga Railway Station ingestapt. Theresa was een student nurse in de tijd dat wij in Chilonga werkten en is later met een Oegandees getrouwd. Een paar jaar geleden vertrokken ze naar de VS, en daar heeft ze haar verpleegkundige diploma gehaald. Het was erg leuk om met haar te praten, vooral omdat ze nu ook een paar jaar in een ander land woonde en met andere ogen naar Zambia keek. Met haar dollars bouwt ze nu een huis in Malama voor haar familie. Ze miste de Zambiaanse gezelligheid vreselijk en was blij weer eens nshima te eten. Voor mij was het bezoek aan Chilonga ook een soort thuiskomst. Ook al realiseer je dat je op een heel bijzondere plek bent, is het toch niet vreemd. Zo vertrouwd. Een beetje heimwee heb ik wel gekregen.


12. Terug naar Chilonga

Met een van de Chilonga-dokters, Jannemiek, had ik afgesproken om op 1 mei met haar mee te rijden naar Chilonga. Een nieuwe ziekenhuisauto die al in Lusaka was, bleek echter niet door Interpol vrijgegeven, dus we zaten zonder vervoer. Met Piet Reijer, ook ex-Chilonga-dokter, konden we meerijden tot aan Kapiri Mposhi. drie generaties Chilonga in de auto (‘80-’82; ‘89-’92 en ‘96-nu).

Tazara railways, trein van Kapiri naar Mpika
In Kapiri bleek de eerste en tweede klas tickets al verkocht te zijn, dus waren we genoodzaakt om derde klas te reizen. De trein vertrok exact om 14.27! Het was de sneltrein, de TAZARA-express naar Dar es Salaam, en stopte alleen in Mkushi en Serenje, voordat we Mpika aandeden. De trein was niet al te vol, alhoewel de portieken wel een beetje ‘packed’ waren. We konden gelukkig zitplaatsen veroveren in de derde klas. Eigenlijk doet deze trein niet onder voor een Europese trein. Alleen de snelheid is echt Afrikaans, met een gangetje van zo’n 70 km per uur. Ook de restauratiewagen was aangenaam, waar we kip met patat aten en een Tanzaniaans biertje dronken. Na 8 uur treinen, waren we in Tazara en stond de ziekenhuisauto ons op te wachten om ons naar Chilonga te brengen. 
Kopa, mijn gids van de dag
’s Ochtends liep ik met Jannemiek naar het ziekenhuis en werd al snel door allerlei mensen begroet. Ik geloof dat Anna Mulaita de eerste was. Binnen een minuut kwamen Josephine en anderen van de OPD gerend en zo ging het eigenlijk de hele dag door. ‘Ba Geradi, bashimubanga’. ‘How is Florence?’ ‘How is Mubanga?’ ‘How is Koen?’. Het duurde bijna een uur voordat ik langs de portier het ziekenhuis in ging. Op de MCH kwam ik Kopa tegen, de dochter van een chief, die destijds student nurse was. Nu is ze student midwife. Zij vertelde me een beetje hoe het de afgelopen jaren gegaan was. De verhalen van de crisistijden, gossips, etc. Met haar streepte ik ook af wie er niet meer waren: Martha Mutale, Victoria, Shilunguta, Annie Lambwe, Stella Musonda. Alle andere staf was overgeplaatst naar andere ziekenhuizen na de grote conflicten binnen Chilonga. De minister heeft daar zelf een paar jaar geleden voor gezorgd.

Ward 5, de vrouwenafdeling
Sterilisatiepannen
Het ziekenhuis was leeg. De afdelingen 1 en 4 waren gesloten vanwege tekort aan personeel, zodat 2 en 5 gemengde interne en chirurgische afdelingen waren, maar zelfs dan nog maar half bezet. Op de kinderafdeling lagen zo’n 15 kinderen. De nieuwe maternity ward zag er prachtig uit, maar ook hier weinig vrouwen. De oude ward 6 was veranderd in een ‘Annex’; zwangeren met hoog risico wachten hier tot ze gaan bevallen. De oude verloskamer is de ingang van de Annex geworden. Dit was de plek waar Florence bevallen en Douwe geboren is. Er was tevens een klein kamertje voor echografie gebouwd. De nursery, een kamertje waar vroeger 3 incubators en 5 bedjes stonden voor te vroeg geboren kinderen, was nu een kamertje met een bed, waar staf opgenomen werd.
Sr. Kathleen's kaartjes
Trolley met patient files op kraamafdeling
Opvallend is dat er toch niet zo veel veranderd is. Zelfs Sr. Kathleen’s kaartjes waren nog overal aanwezig. Het ziekenhuis zat nog goed in de verf en zag er als vanouds uit. Toch is het ook een beetje teleurstellend dat er weinig veranderd is. Op de TB afdeling kwam ik dezelfde scheuren in de muur tegen. Men moet volgens mij een paar rigoreuze veranderingen doorvoeren, want andere dingen zijn wel veranderd. Zo heeft Mpika ziekenhuis een nieuwe uitbouw gekregen, met een operatiekamer. Als dit open is zal dit zeker effekt hebben op Chilonga. Mpika heeft nu ook 3 artsen, 2 Cubanen en een Zairees! Ik denk dat het ziekenhuis zich heel snel moet gaan specialiseren en verkleinen om nog een bestaansrecht te hebben. Transport is tegenwoordig zo duur, dat de bedden bijna niet bezet kunnen worden.
Joseph Mwila
Ook viel het me op, dat er zo weinig aids-patienten in het ziekenhuis lagen. Het beeld wat ik op mijn netvlies had, toen we weggingen uit Chilonga, was afdelingen vol met hoestende, magere patiënten met diarree. De home based care vangt wel een deel van deze patiënten op en je kan in het ziekenhuis maar beperkte dingen doen, maar toch. Joseph Mwila is met twee andere werkers verantwoordelijk voor het anti-aids programma. Op de muur van zijn kantoortje kwam ik dezelfde foto’s tegen, die we 6 jaar geleden achtergelaten hadden.

Wat is er verder nog veranderd? Niet veel denk ik. De twee scholen voor verpleegkundigen en verloskundigen zijn beide nog in bedrijf. Het klaslokaal wat we toen gepland hadden was gebouwd. Men was met de fundering bezig voor 6 nieuwe stafhuizen. Het oude kerkje was met de grond gelijk gemaakt. De visvijvers waren een mislukking, en nu echt bushy terrein geworden. Ook de kippenhokken stonden leeg. Vorig jaar was het niet meer rendabel geweest, na grote sterfte onder de kippen. Van het zwembad was alleen nog een groot betonnen gat over, met veel scheuren erin. Een klein beetje verval, wat zeker te verwachten was na het vertrek van de Ierse nonnen (Sr. Josephine), maar over het algemeen was het allemaal nog in goede staat.
De tuberculoseafdeling (ward 8)
Een arts op de Koninginnedag-vergadering waarschuwde al, dat zo’n bezoekje goed is voor je ego. Ik moet toegeven dat het goed deed om de mensen terug te zien, de verhalen te horen van de goede indruk die we achtergelaten hadden. Ook veel patiënten kenden me nog. Een moeder op de kinderafdeling vertelde dat haar dochtertje met een fractuur op ward 5 lag. Een patient met TB en aids op ward 8, wist mijn naam nog uit te spreken. Soms fluisterde iemand achter me ‘bashimubanga’. Het deed me inderdaad goed. 
Een bekende patiënt op de tuberculoseafdeling