Posts tonen met het label Genealogie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Genealogie. Alle posts tonen

woensdag 30 juli 2025

Familiekroniek 8: Douwe de Vries (1874-1964)

Douwe de Vries is mijn overgrootvader maar ook de naam van mijn vader en mijn zoon. Mijn zoon en vader zijn als oudste zoon vernoemd naar hun opa. Niet mijn overgrootvader. Tegen de tijd dat hij – als zesde kind – werd geboren, waren de namen van de grootouders al vergeven. Hij is daarom vernoemd naar een broer van vader Luitjen, ook een Douwe de Vries.

Als je verder teruggaat in mijn stamboom – meer dan drie eeuwen – kom je de naam Douwe tegen, bij mijn oudbetovergrootvader Douwe Reitses (1670-1749) uit Akkerwoude, Friesland. In die tijd had men nog geen achternamen, maar gebruikte men patroniemen: Reitses betekent ‘zoon van Reitse’. De achternaam De Vries werd pas in onze familie aangenomen in 1812, toen onder het bewind van Napoleon iedereen verplicht werd een familienaam aan te nemen. Ik schreef daar twee jaar geleden een blog over (Back to the roots: Westergeest). Daarin vertelde ik ook dat Henne Haijes de Vries (1793-1847) de militaire dienst wist te ontlopen door zijn lot te verkopen. Gelukkig maar, want van zijn plaatsvervanger is nooit meer iets vernomen...

Luitjen, de zoon van Henne, mijn betovergrootouder, nam de naam De Vries mee van Friesland naar Groningen. In het bevolkingsregister, dat sinds 1850 beschikbaar is, vind ik hem terug als bakkersknecht bij de familie Bakker in Niekerk. Dat die familie Bakker heet, is geen toeval: Kornelis Bakker was broodbakker.

De naam Gaarkeuken heeft me altijd gefascineerd. 
Iets verderop is de Gaarkeuken-sluis in het Van Starkenborghkanaal.
Ik heb vorige week dezelfde route gelopen die hij misschien ook liep: van Kollum via Buitenpost, Gerkesklooster-Stroobos, Grijpskerk naar Sebaldeburen en Oldekerk. Vandaag de dag wordt het landschap doorsneden door het Van Starkenborghkanaal, gegraven in de jaren dertig om werk te bieden tijdens de crisisjaren. Mijn pad kruiste ook de route die 116 verzetsvrouwen in april 1945 moesten afleggen, als menselijk schild voor de terugtrekkende Duitsers. Hun tocht was begonnen in Westerbork, waar ze opgesloten waren, en eindigde na drie dagen in Grijpskerk. De oorlog was voorbij.

Beeld in Grijpskerk.
Zie ook https://www.vrouwenmars1945.nl/.
Luitjen werkte zo’n tien jaar als bakkersknecht in verschillende dorpen in de gemeente Grootegast. In 1862 trouwt hij, 37 jaar oud, met de 20-jarige Vrouwkje Slagter. Het jonge gezin vestigt zich in Lucaswolde, waar Luitjen bakker wordt. In 1874 wordt Douwe, mijn overgrootvader, geboren. En 58 jaar later, ook mijn vader Douwe. Lucaswolde, een klein dorp met 200 inwoners, is het epicentrum van mijn familiegeschiedenis. Voorouders van mijn moeder woonden er ook. En de familie Bolt, de latere schoonouders van Douwe.

Als Luitjen in 1877 overlijdt, is Douwe nog geen 3 jaar oud. Hij zal z’n vader dus amper gekend hebben. Ook zijn jongere zus Jantje kende haar vader niet, want zij is dan nog maar een baby van één maand. Moeder Vrouwkje hertrouwt 7 jaar later met Matheus. Beiden zijn dan dagloners. Ze zullen het niet breed hebben gehad.

Het militieregister geeft een omschrijving van de recruten.
Zo nauwkeurig zelfs dat we weten dat Douwe 1,733 Meter lang was. 
Op zijn 17e gaat Douwe werken bij een boer in Oldekerk. Hij houdt het er vier jaar vol. Of hij het verhaal van zijn grootvader kende, weet ik niet, maar hij doet precies het omgekeerde. Hij is namelijk wél uitgeloot voor de militaire dienst, maar neemt in 1896 vrijwillig de plaats in van iemand uit IJsselstein. Daar staat een aantrekkelijke vergoeding van 300-500 gulden tegenover. Maar misschien verlangt hij ook naar avontuur of ziet hij kansen die het leger biedt. Als stukrijder bij de veldartillerie is hij verantwoordelijk voor de paarden die het geschut (kanon) trekken.

Zes paarden en drie stukrijders trekken een kanon voort.
(Bron: Nederlands Artillerie Museum) 
Na twee jaar keert hij terug naar het Westerkwartier, nu met een goede opleiding op zak. Niet verrassend dat op zijn huwelijksakte staat dat hij koetsier is. Ik heb ergens gelezen dat hij koetsier van de dokter (in Zuidhorn) was. Ik zie hem zo voor me voor hoe hij bij nacht en ontij uitrijdt als er een bevalling is of een zieke dringend vervoerd moet worden.

Koetsje, dokter en koetsier (niet Douwe de Vries..)
Maar de carrière als koetsier is van korte duur. Twee jaar later, in 1903, is hij arbeider in Doezum, als mijn opa Roelf wordt geboren. Mijn tante vertelde dat hij ‘blauwe Douwe’ werd genoemd, vanwege zijn zuinigheid. De kinderen moesten kost en inwoning betalen zodra ze gingen werken. Van alle inkomsten kocht hij steeds een grotere boerderij. Maar er was ook noodzaak om te verhuizen met het steeds uitdijende gezin. 
Persoonskaart Douwe de Vries (1874-1964)

Boederij B73 (gehuurd) aan de Nieuweweg 62 te Nuis.
Mijn tante: "Opa Douwe had een gemengd bedrijf: rogge, tarwe, bieten, rapen, koeien en natuurlijk paarden voor de wagen."
Mijn tante herinnert hem als een rustige man, doodkalm. Hij at langzaam. Als zij aan tafel zaten, zei grootmoeke altijd: “Denk erom, eet rustig”, zodat opa Douwe op zijn gemak kon eten. Ook tijdens het hooien nam hij zijn tijd: rustig zijn pijp stoppen en roken.

Na de dood van zijn vrouw Berentje gaat hij bij een van zijn dochters wonen. In 1964 overlijdt hij, bijna 90 jaar oud. Ik kan me nog herinneren dat mijn ouders door het huis liepen en zeiden: “Opa Douwe is overleden”. Ik was vijf jaar. Een van mijn vroegste herinneringen.
Ik denk dat ik de onrust heb van deze familietak. Niet vastzitten aan een plaats of huis. Steeds opnieuw wortelschieten. Zoals betovergrootvader Luitjen ooit Friesland verliet, overgrootvader Douwe naar Utrecht trok, en daarna steeds weer verhuisde. Oké, mijn opa Roelf bleef dan wel redelijk honkvast, maar mijn ouders durfden de stap aan om te verhuizen naar het midden van het land. En ik reisde naar nog verdere oorden.

Familiekroniek 7: Berendje Vogelzang (1877-1957)

Mijn overgrootmoeder Berendje (Berentje) had een mooie achternaam: Vogelzang. Deze week heb ik via Boekwinkeltjes een boekje op de kop getikt om meer over deze naam en de familie te weten te komen. Het genealogisch geschrift is in 1991 geschreven door twee Vogelzangs, in een tijd dat alles persoonlijk in archieven uitgezocht moest worden; een knap staaltje werk. Ze zijn zelfs zo ver gegaan dat ze een familiewapen hebben laten ontwerpen en registreren bij de Raad van Wapenkunde. De goedkeuring werd verleend, en in het boek staat: “ieder lid en nazaat van de in dit boek beschreven Vogelzangs is gerechtigd dit familiewapen te voeren.” Ik dus ook. :-)

In het midden van het wapen prijkt een zingende, zwarte merel – een verwijzing naar de familienaam. Maar waar komt die naam eigenlijk vandaan? Ook dat hebben de schrijvers uitgezocht. Bij Leek ligt het landgoed Nienoord, waar in 1525 een borg (een soort kasteel) werd gebouwd. Eind 16e eeuw trouwt de eigenaar, baron Iko von Inn- und Knyphausen uit Oost-Friesland, met Anna Maria Oriana von Eltern, erfdochter van Elteren en Vogelzang (twee gebieden in België). Eén van de boerderijen op het landgoed kreeg de naam “Old Voochelsang” en is dus genoemd naar de streek van de barones. In 1742 huren Harm Jans en Geert Jans ‘in de Voogelsanck’ deze boerderij, die dan niet meer in het bezit is van de heer van Nienoord. Geert Jans (1715-1793) is mijn oudbetovergrootouder – de negende generatie terug.

Nienoord viert dit jaar haar 500-jarig bestaan

Maar terug naar Berentje, de vierde generatie, die geboren en getogen is in Niebert. Als zij 19 jaar is, gaat ze werken als dienstbode in Oldekerk. Eerst bij de vrijgezel Trientje Jongst. Maar het dienstverband houdt op, als deze vrouw op 56-jarige leeftijd alsnog trouwt. Daarna heeft Berentje twee andere betrekkingen, de laatste bij het gezin van dominee Meindertsma. In december 1899 keert ze terug naar Marum als dienstbode. Vanaf dat moment kan ik het spoor even niet volgen, omdat de dienstbodenregisters van de twintigste eeuw nog niet online staan.

Op 1 juni 1901 vind ik haar weer terug: Berentje trouwt dan met Douwe de Vries. De zwangere buik zal goed te zien zijn, want drie maanden later bevalt ze van Roelf die maar drie maanden leeft. In de huwelijksakte staat dat Berentje zonder beroep is en de laatste zes maanden in Oldekerk heeft verbleven. Ze was dus weer terug in dat dorp. Douwe is koetsier, en ik stel me voor dat ze samen leuke ritjes in het koetsje hebben gemaakt.

Na de eerste Roelf volgt een tweede Roelf, mijn opa, en daarna nog een hele rits kinderen, waaronder een tweeling (het jongetje overlijdt) en een drieling. In totaal veertien kinderen, waarvan elf de volwassen leeftijd bereiken. De drieling wordt geboren op de verjaardag van vader Douwe, en dat nieuws haalt zelfs de krant.

Rotterdams dagblad, 21 november 1916

Wanneer deze drieling 65 jaar is, schrijft het Nieuwsblad van het Noorden er opnieuw over: “Een verjaardagscadeautje voor hun vader Douwe de Vries in Zevenhuizen was op 17 november 1916 de drieling Janke (1500 gram), Frouwina en Sjoerdina (beiden 1250 gram). Ondanks hun geringe gewicht bleven ze thuis en groeiden voorspoedig op.” Tegenwoordig gaan kinderen met dit gewicht direct de couveuse in.

In de geboorteakte staat ook het tijdstip van geboorte. Janke werd een dag eerder geboren dan de andere twee meisjes, om 23.30 uur. Frouwina was er om 4 uur ’s ochtends en Sjoerdina om 7 uur. Het zal een behoorlijk hectische nacht zijn geweest. Ik kan me niet voorstellen dat moeder Berentje op de hoogte was dat ze drie kinderen zou krijgen. 

Elf volwassen kinderen betekent ook veel kleinkinderen. Ik tel er 51, inclusief mijn vader. Zonder zijn broer en zussen, zijn er 45 neven en nichten. Aan de Bolt-kant tel ik er 36. Ik vraag me af of mijn vader ze allemaal gekend heeft. 

Mijn tante herinnert zich dat het een gezellig gezin was. “Grootmoeke was een goedlachse vrouw. De meiden, Froukje en Sietske, en ook de anderen, konden goed zingen. En tijdens het zingen werd er gebreid. Ook opa (Douwe) kon goed zingen.” Ik heb wel de achternaam, maar niet de zang-genen meegekregen!

Mijn tante vertelde ook dat de etensvorken helemaal versleten waren. Sommigen hadden nog maar 1 tot 1,5 centimeter vanaf de steel gerekend. Daar was ze altijd door gefascineerd. Iedereen had ook zijn eigen vork. En als opa na het eten de Bijbel opensloeg, las hij een heel hoofdstuk inclusief ‘alle registers’. De tantes zaten er dan met open ogen bij, en met hun blikken werd onderling plezier gemaakt.

Zittend: Douwe de Vries en Berentje Vogelzang met tussen hen Henderikus (Rikus). 
Daarachter de drieling en links achter mijn opa Roelf.
Foto circa 1925.

In 1957 krijgt Berentje een hersenbloeding. “Ze was met de was bezig en viel neer”, vertelde m’n tante. “Daarna heeft ze nog drie dagen geleefd. Zoon Rikus, haar jongste kind, kwam direct over uit Canada. Grootmoeke heeft hem nog herkend.” Dat moet heel fijn voor haar zijn geweest.

Douwe de Vries en Berentje Vogelzang

vrijdag 25 juli 2025

Familiekroniek 6: Berend Bolt (1878-1937)

Deze foto staat op de openingspagina van de website van de historische vereniging Boerakker en Lucaswolde. De man met de snor is mijn overgrootvader Berend Bolt. In 1904 begon hij in Lucaswolde een kruideniers- en manufacturenwinkel. Hij verkocht dus niet alleen levensmiddelen, maar ook kant-en-klare kleding: jassen, broeken, overhemden, overalls. Niet verwonderlijk dat hij in deze branche terechtkwam; zijn ouders Roelf Bolt en Hermina Klunder waren winkelier en winkeliersche in Sebaldeburen, en zijn grootvader Menko Klunder was meer dan een halve eeuw kleermaker in Lutjegast. 

Mijn tante heeft een paar notities bij bovenstaande foto gemaakt. De man met snor is opa Bolt. Naast de vrachtwagen staat de boodschappenkar. De foto is van circa 1935. Rechts is oom Jan (geb. 1912), links oom Menco (geb. 1910) en de vrouw links is tante Dina (geb. 1916). Mijn oma Jantje (geb. 1905) is dan al het huis uit en getrouwd met mijn opa De Vries. 

Op het uithangbord staat B. Bolt en Zonen. Winkelier en Fouragehandel. Helemaal rechts hangt een advertentiebord van het veevoederbedrijf Koudijs; een bedrijf waar mijn vader als fouragehandelaar ook jaren meel van betrok. Als kind vond ik dat een chique, maar ook wat raadselachtig beroep. Het komt erop neer dat je veevoer inkoopt en het vervolgens aan de boeren verkoopt.

De Citroën met nummerplaat A13686 is terug te vinden in een register met Groninger Kentekens (Kenteken A-13686 › Groninger Kentekens). Zoon Roelf (geb. 1903) werd in 1927 eigenaar van de auto en verkocht deze in 1929 door aan zijn vader. Een zoon van Roelf heeft op de website geschreven dat 'zijn vader destijds rijexamen afgelegd heeft in Grootegast, daar enkele rondjes gereden [heeft] met de huisarts en toen was het geklaard.' Opa Berend heeft het autorijden vast van zijn zoon geleerd.

1910

1936

4-2-1935: auto in de sloot tegenover woning B. Bolt

Berend was in 1906 aanwezig bij de eerste vergadering van de schoolvereniging die ervoor moest zorgen dat er een christelijke lagere school kwam in het nabijgelegen Boerakker. Berend werd secretaris en bleef dat vele jaren. De school werd geopend in 1909.

Het schoolbestuur bezocht de school tijdens lesuren, de eerste keer in 1910. Op de ledenvergadering geeft B. Bolt uitgebreid verslag. Alles verliep naar wens. Meester Lok had een vertelling gehouden over Naäman de Syriër. In de lagere klassen was met aandacht de werkzaamheden op de lei gevolgd. 'Niet het minst beviel ons het zingen van de kleine kneuters zoo alleraardigst als dat ging, zoo hebben wij alles wat nagesneuvelt, en wij hebben een goede indruk over geheel meegenomen. Vooruitgang was zeer goed in de schriften te bemerken en vooral bij het vertellen van het hoofd was onverdeelde aandacht te bemerken. Bij de kleinste der eerst beginnende viel mij bijzonder het grootte verschil in ‘t oog. Sommige van de in ‘t voorjaar op de school zijn gekomen schreefen bepaalt al leesbaar, en sommigen konden nog geen letter schrijven maar er zijn altijd bij die onvatbaar zijn.' (Uit: 1909-1984. 75 jaar christelijke lagere school Boerakker, Jan Hamstra)

Schoolbestuur circa 1925, Berend Bolt in het midden op de voorste rij.

Berend was een gezien man in Lucaswolde en Boerakker, maar mocht geen kerkelijke functies meer uitoefenen toen bekend werd dat hij een kind had verwekt bij de dienstmeid. Mijn tante vertelde dat het dorp een nachtlang lawaai maakte door op pannen en potten te slaan - wat 'ketelmuziek' wordt genoemd - en dat er een kar stront voor zijn huis werd gestort. Volkswoede en volksberechting. Mijn oma Jantje heeft het als een zeer angstige gebeurtenis ervaren. Het hele gezin heeft eronder geleden. Ook de kinderen werden erop aangekeken. 

Groepsfoto met Berend Bolt en Dieuwke Scheeringa (omcirkeld)
Pas op latere leeftijd kon mijn oma hierover praten met haar eigen kinderen. Mijn tante vond het jammer dat dat gesprek niet eerder is gevoerd. Dat intrigeert me: het zwijgen, waar openheid misschien had kunnen opluchten. Het soort leed dat ongemerkt doorsijpelt in volgende generaties. Ik moest denken aan het onlangs verschenen boek ‘Waar ik me voor schaam’ van Sheila Sitalsing, over haar foute opa in de oorlog. Ze noemt dit: intergenerationele schaamte.

Advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden, 12-10-1912. 
De familie dacht er blijkbaar over om de boel te verkopen en te verhuizen.

Veel van de kinderen van Berend werden later ook grutter. Wij kenden vooral ‘oom Koos’, die elke zaterdag de boodschappen kwam brengen. Aan de keukentafel vroeg hij mijn moeder wat ze de week erop nodig had. Wij kenden het rijtje dat hij dan opdreunde uit ons hoofd: suker, zolt, koffie, thee, etc. Hij was zijn tijd ver vooruit. Picnic en HelloFresh avant la lettre. 

Berend kocht kruidenierswinkels voor zijn zonen Roelf in Boerakker (hier op de foto), Menco in Groningen en Tienco in Marum. Na zijn overlijden zette Gerard (Gerrit) de zaak voort in Lucaswolde.

“In 1937 ligt Berend in het ziekenhuis. Een dag voor een ‘ernstige operatie’ schrijft hij een brief aan zijn gezin: “Mijn geliefde Vrouw en Kinderen. Ik heb hier op dit papier nog wat meer geschreven waartoe ik mij gedrongen voelde. Want als ik niet weer bij u kom wil ik dit u nog gaarne doen weten wat ik nog alzoo op ’t hart hebt. En dan ten eerste mijn lieffe vrouw die ik oprecht bemin, niet tegenstaande ik wel eens geheel verkeert tegen U bent geweest. Vergeef mij mijn verkeerde, bewaar die liefde die gij mij ook zoo veel hebt toegedragen (…)

Zo nu liefffe kinderen als het gebeurd dat vader niet meer bij U komt, allen te samen genomen, wees ten eerste voor zoover getrouwd uw man of vrouw tot steun en volkomen liefde. Maar ik vraag ook van U allen, weest steeds moeder tot hulpe. Neem dit van vader over. Leef in vriendschap en help elkander door het leven, vooral de kleine beide jongens niet vergeten. (…)

Morgen bij middag zal de operatie wel zijn afgelopen denk ik. Zuster zei van ongeveer 3 uur komen, maar zij dacht wel eerder. Moeder moet niet alleen komen. En nu maar biddent wachten.”

Berend Bolt overlijdt kort daarna, in het Academisch Ziekenhuis. De deelneming in het dorp is algemeen.

Laatste rustplaats van Berend en Dieuwke op de begraafplaats in Noordwijk.


woensdag 13 september 2023

Familiekroniek 4: Lieuwe Dijkstra (1858-1917)

Lieuwe Dijkstra, mijn overgrootvader, was timmerman in Sebaldeburen, een dorp in de gemeente Grootegast. Ook zijn vader Jan en grootvader Lieuwe Idskes waren in hetzelfde dorp timmerman. Het vak ging van vader op zoon, of beter gezegd op zonen, want de ooms van Lieuwe werden ook timmerman, in de omliggende dorpen Grijpskerk, Leens en Zuidhorn. Het timmeren zit ook een beetje in mijn bloed, want ik timmerde als kind er heel wat op los en wilde lang timmerman worden. En soms voelde ik mij ook timmerman als ik orthopedische operaties uitvoerde in Zambia.

Advertentie 5 december 1852 (Lieuwe Idskes Dijkstra was 1 april 1851 overleden)

Lieuwe is het eerste kind van Jan Dijkstra en Pieterke Kooi. Vader Jan was eerder getrouwd met Jantje Veenstra. Uit dat huwelijk werden twee dochters geboren. Zijn eerste vrouw was nog maar 28 jaar toen ze stierf; het jongste kind, Jantje, 6 maanden oud. Dat Jan met een Kooi (her)trouwt is niet vreemd, want twee broers gingen hem al voor. Drie broers die met drie zussen trouwen lijkt me nogal bijzonder. Het beperkte wel het aantal neven en nichten van Lieuwe, want de negen neven en nichten aan moeders kant zijn dezelfde als aan vaderskant.

In de Kooi-familie is een opvallende gebeurtenis te melden. Want wat gebeurt er in april 1837, als beide ouders van Pieterke twee dagen na elkaar overlijden? Op donderdag 20 april overlijdt moeder Hindrikje in huis 376 in Briltil en op zaterdagavond vader Klaas, die op dat moment tolgaarder is. In één klap zijn zes kinderen wees, de oudste Itje, nog geen 14 jaar, Pieterke 6 jaar en het jongste kind 2 jaar oud. 

De zoektocht in de krantenarchieven levert een advertentie op van een notaris die vraagt of mensen nog iets te vorderen hebben. In de notarisboeken vind ik geen akte terug, dus er was waarschijnlijk niets te verhalen. De weeskinderen zullen wel bij familie zijn opgegroeid. En mooi dat later de zussen Itje, Geertje en Pieterke met Jacob, Geert en Lieuwe Dijkstra trouwen, daar een nieuwe familie krijgen en zelf nieuwe families stichten.

Pieterke Kooi overlijdt in 1879. In het bevolkingsregisterboek dat in 1880 opnieuw begint, staan de mannen Dijkstra onder elkaar: vader Jan (timmerman), zonen Lieuwe (timmerman), Albert en Hendrik (timmerman). En daaronder (half)zus Jantje die in 1879 terug is gekomen in het gezin. 
Lieuwe verhuist in 1888 naar huisnummer 54 als hij met Martje Nienhuis trouwt. Hij zet daar de timmeractiviteiten voort. Mijn oom vertelde dat opa Lieuwe als hij geen werk had, soms met een timmerkist door het dorp liep om de indruk te wekken dat hij wel werk had.

Lieuwe sterft relatief jong, na een langdurige ziekte, zoals op de rouwkaart is geschreven. Het is al meer dan 100 jaar geleden dat hij overleed. Zijn graf en die van zijn vrouw Martje zijn er nog op het kerkhof in het midden van het dorp Sebaldeburen. Bij mijn laatste bezoek was het opschrift bijna niet meer te lezen. De grafmonumentenspecialist die ik vooraf raadpleegde, liet me weten dat je de steen het beste met chloor en borstel kan schoonmaken. Dat heb ik deze week gedaan samen met een nicht. Het was een mooi ritueel aan het eind van mijn wandeltocht. Ik grapte dat we onder de tekst 'hunne kinderen' (onderaan de steen) in graffiti nu er wel bij kunnen schrijven 'en hunne achterkleinkinderen 13/9/2023'.


donderdag 6 juli 2023

Familiekroniek 2: Kornelis Graanstra (1866-1953)

Kornelis Graanstra is het eerste kind van Marcus Graanstra en Klaaske de Wit. Marcus en Klaaske trouwen op 22 april 1865. Negen maanden later komt Kornelis in Doezum op de wereld, op 13 januari 1866. De arts in me gaat gelijk rekenen. Als de zwangerschap precies 40 weken duurde, dan was de laatste menstruatiedag van Klaaske op 6 april 1865, want de rekenformule is: geboortedag minus 9 maanden en 1 week. De vruchtbare periode is meestal 11-15 dagen na de laatste menstruatiedag. Dan kom ik ongeveer uit op de trouwdag van Marcus en Klaaske. Kornelis lijkt in de huwelijksnacht verwekt te zijn. Die vruchtbaarheid zet zich voort, want elk jaar volgt een zusje. Trientje in 1867, Fokje in 1868 (overlijdt na 6 weken) en nog een keer Fokje (in 1869). Daarna als laatste Petrus in 1872. Geen van de zussen en broer krijgt zelf kinderen. Trientje en Fokje blijven ongehuwd, Petrus overlijdt als tiener.

De ouders van Marcus, grootouders van Kornelis, zijn Kornelis Graanstra en Fokje Aardema. De ‘a’ in de achternaam doet een Friese afkomst vermoeden. En dat klopt. Vader Marcus is in Ureterp geboren en komt uit een gezin van 8 kinderen. Drie van hen (Wijtske, Fokke en Bastiaan) besluiten de armoede van het Groningse land achter zich te laten en verhuizen met hun gezinnen naar Noord-Amerika. Landarbeiders hebben het eind van de negentiende eeuw slecht. De werkgelegenheid neemt af door mechanisering, terwijl het arbeidsaanbod juist toeneemt door de snelle bevolkingsgroei. In de zomermaanden en tijdens oogsttijd is er genoeg stukwerk, maar in de wintermaanden hebben de dagloners geen inkomsten. Ook religie is een reden om te emigreren. Mensen die wat strenger in de leer zijn, en dat waren de Graanstra’s met hun Christelijk Gereformeerde geloof, vertrekken naar Amerika in de verwachting daar meer godsdienstvrijheid te ondervinden. Dat zal voor Bastiaan wel gelukt zijn. Hij overlijdt in Orange City, wat nog steeds een enclave van Nederlandse gezinnen is met een strenge geloofsovertuiging.

Emigratieregister, staat van landverhuizers in 1893 - vertrek Bastiaan Graanstra met z'n vrouw en 7 kinderen 
Bij reden vertrek staat bij de meeste 'lotsverbetering' of 'verbetering van bestaan'.
Maar er gaan ook mensen 'op avontuur' of 'om fortuin te zoeken'. That's the spirit!
En zo ziet Kornelis achttien neven en nichten naar Amerika vertrekken. In 1893, als de laatste weg gaan, heeft hij nog twee neven en een nicht in Nederland over. 1893 is ook het jaar dat hij met Martje Boekema trouwt. Zij krijgen 8 kinderen, waarvan 2 jong overlijden.

De kerkelijke strijd die in 1944 in de Gereformeerde Kerk in Nederland woedt, heeft ook z’n weerslag op het gezin Graanstra-Boekema. Kornelis en 3 dochters volgen de dominee in Kornhorn naar de 'artikel 31'-kerk, later Gereformeerd Vrijgemaakte Kerk. De artikel 31-ers waren erg strikt. Zijn vrouw Martje en de andere drie kinderen, waaronder mijn oma Trientje, blijven bij de 'synodalen'. Op verjaardagsfeestjes zal de leer tot heftige discussies hebben geleid.

Een van de twee Gereformeerde Kerken in Kornhorn.
Alle dochters uit het gezin Graanstra-Boekema worden later dienstbode. Mijn oma wordt huishoudster bij bakker Bos. "De vrouw van bakker Bos overleed in 1925 tijdens de bevalling van het vijfde kind. Moeder Trientje heeft daarna ook nog een tijd voor het gezin gezorgd", vertelde m’n moeder, maar trouwen met een man met 5 kinderen zag zij niet zitten. Bovendien was er al een andere bakker in beeld, mijn opa Geert Dijkstra. In 1928 trouwt ze met hem en 'emigreerde', zoals ze dat zelf zei, naar Sebaldeburen, drie dorpen verderop. Haar broer en vier zussen niet. Ze liggen allemaal begraven op het kerkhof in Kornhorn. 

De familie was volgens m’n moeder 'niet erg welgesteld', een eufemisme voor armoe. Kornelis ('opa Kees') verdiende de kost met los werk (dagloner), zoals het maaien van het gras bij de boeren. Hij kreeg daar een rijksdaalder per dag voor. En met zijn kruiwagen ging hij naar z’n landje in Peebos waar hij een paar koeien en geiten had. Misschien heeft hij onderweg nog wel eens nagedacht of hij de grote oversteek ook hadden moeten maken. Maar ja, dan was zijn dochter m’n opa niet tegengekomen en was ik er niet geweest...

Maar misschien viel het met de armoede wel mee. Kornelis heeft in ieder geval twee keer z'n huis verkocht. In 1917 wordt zijn boerenbehuizing in Doezum te koop aangeboden 'bij palmslag', met een inzet van 6000 gulden. Hij verhuist dan waarschijnlijk naar Kornhorn. In 1930 wordt 'eene nette boerenbehuizing' gefeild, inclusief 8 koeien en 2 paarden. De gebouwen zijn van electrisch licht voorzien. Het wordt voor ƒ7790,- verkocht, een aanzienlijk bedrag in die tijd. Kornelis is dan 64 jaar en heeft er tot op hoge leeftijd nog van moeten leven.

 

Mijn oom kon zich herinneren dat ‘Opa Kees’ in Sebaldeburen vaak langs kwam om de tuin te doen. Hij kreeg dan altijd een paar sneetjes brood mee voor onderweg. Lekker vers uit de bakkerij. En als hij dan in de bus zat, zwaaide hij met z’n zakdoek nog even. Hij overleed in 1953, 87 jaar oud.

Opa Kees met kleinzoon Kees, omstreeks 1935

Begraafplaats Doezum

Vandaag heb ik de trip gewandeld die Marcus van Ureterp naar Kornhorn/Doezum heeft afgelegd. Een wandeling van 25 km. Als je een lijn trekt naar Kornhorn dan kom je door het gehucht Trimunt. Een beladen naam in de regio. In de Tweede Wereldoorlog bouwden de Duitsers hier een radarstation. De bunkers liggen nog in het veld. 

Trimunt is ook de plek waar 16 mensen gefusilleerd zijn. In april/mei 1943 werd vanuit Hengelo een staking georganiseerd tegen de verplichte tewerkstelling (Arbeidseinatz) van 300.000 Nederlandse oud-militairen in Duitsland. Marum deed ook mee. In de buurt van Trimunt werden boomstammen op de weg gelegd, om het melktransport te belemmeren. De Duitsers reageerden onverbiddelijk. Ze haalden willekeurig de mannen uit 4 boerderijen aan de Haarsterweg en executeerden ze nog dezelfde dag. De staking werd gebroken, het verzet niet. Integendeel.

Uitze (25), Jelle (22) en Sietse (13) opgepakt en standrechtelijk doodgeschoten.

Maar er was nog een reden om naar Trimunt (terug) te gaan. Ik ben er namelijk een keer geweest met een paar vriendjes. Dat mocht natuurlijk niet. We hebben er kort gespeeld, maar ik voelde me unheimisch, om dat Duitse woord maar eens te gebruiken. Misschien was er wel een Duitser in de bunker achtergebleven... Ik zie me nog terugfietsen als 10-jarige, angstvallig achteromkijkend of er geen Duitse soldaat met een geweer uit de bunker tevoorschijn kwam. 

Lijkenhuisje achter de kerk, start van het leedaanzeggerspad.
Kerk van Noordwijk. Op de begraafplaats liggen ook twee voorouders, maar daarover later meer.
Mijn slaapplek in Ureterp, in een huifkar. Past goed bij de trip down memory lane.