zaterdag 6 november 2010

Suriname



Deze week was ik in Suriname voor mijn werk. Suriname is vier keer zo groot als Nederland en heeft een bevolking van nog geen 500.000 mensen. De kuststrook (10% van het land) is het dichtst bevolkt met Paramaribo uiteraard als grootste plaats. In het binnenland (“the Interior”) woont slechts 10% van de bevolking.
Ik maakte deel uit van een internationaal team dat door de Surinaamse overheid was uitgenodigd om het tuberculosebestrijdingprogramma te evalueren en om met concrete adviezen te komen voor verbetering. Suriname krijgt namelijk de komende jaren internationale financiering (van het Global Fund to fight AIDS, TB & Malaria) voor de tuberculosebestrijding. Ons team bestond uit drie personen uit Washington/Trinidad van de Pan American Health Organization (PAHO) en twee personen van KNCV Tuberculosefonds.

Vorige week zaterdag landde ik op het vliegveld Zanderij, 50 km buiten Paramaribo. Een busje stond gereed om de vele Nederlanders van de vlucht mee te nemen naar de hotels. Suriname is een populair vakantieland. De KLM had deze periode met aanbiedingen aantrekkelijk gemaakt (minder dan 600 euro voor een ticket), wat voor veel mensen nog een extra reden was om deze kant op te gaan. Ik was om 9 uur ’s ochtends gevlogen, maar vanwege het 5 uur tijdverschil – de klok was nog niet teruggezet – kwam ik ’s middags om 1 uur aan. Altijd bijzonder om al op de trap van het vliegtuig de warmte tegemoet te lopen. Mijn grootste verbazing was dat men in Suriname aan de linker kant rijdt. Verder is het heel bijzonder om gewoon Nederlands te kunnen praten. Ik heb dus regelmatig tijdens onze bezoeken de Nederlandse teksten van posters en documenten voor onze PAHO collega’s moeten uitleggen.
Paramaribo

Presidentieel paleis
Paramaribo heeft een prachtige historische binnenstad met veel witte houten huizen met veranda’s, en staat op de UNESCO-Werelderfgoedlijst. Een gouden tip die elke bezoeker aan Paramaribo krijgt is om een fiets te huren om langs de oude plantages te rijden. En dus fietste ik de volgende dag al vroeg – waar een jetlag wel niet goed voor is – door de stad naar het ‘pontje’ aan de Surinamerivier. Uiteraard moest daar eerst over de prijs onderhandeld worden en betaalde ik met mijn 5 euro ook de overtocht van de drie Surinaamse vrouwen die al een tijdje zaten te wachten. Een van hen vroeg me nog hoeveel zij aan mij moest betalen. Met het plattegrondje van het fietsverhuurbedrijf op zak probeerde ik mijn weg te vinden, eerst van Meerzorg naar Peperpot. Mijn verwachtingen bij deze intrigerende naam waren misschien een beetje te hoog. Er waren slechts een paar grote vervallen gebouwen die aan de voormalige koffie- en cacaoplantage Peperpot herinnerden. Ik fietste nog even door het dorpje naast het complex met een tiental kleine houten keten en een heus ‘sportveld van SV Real Peperpot’.
Via een goede asfaltweg parallel aan de Surinamerivier kwam ik vervolgens langs plaatsjes met prachtige namen zoals Jagtlust, Dordrecht en Lust en Rust. Onderweg moest ik regelmatig stoppen om bij te tanken, want het was in zeven jaar niet zo warm geweest (boven de 35 graden). De ijscokar met schaafijs in Nieuw-Amsterdam had vast een goede dag. In deze plaats komen de Surinamerivier en Commewijnerivier bij elkaar en stromen de oceaan in, terwijl er met de getijdenstroom ook zoutwater (en dolfijnen) naar binnen stroomt. Men vertelde me dat dolfijnen soms te zien zijn in Alkmaar, een plantageplaats 20 kilometer stroomopwaarts op de Commewijnerivier. Ik fietste dezelfde kant en stak ik na een half uurtje de rivier over met een houten taxibootje naar Frederiksdorp. De oude plantagegebouwen waren door de eigenaar opgeknapt en omgevormd voor een hotelletje met een restaurant. Na een paar Parbootjes, het lokale bier, was mijn energie snel weg. Ook mijn huid was onderweg aardig verbrand, zodat ik samen met een paar andere mensen een taxibootje charterde om via de Commewijnerivier en de Surinamerivier een groot deel van de tocht terug te varen, naar Leonsberg. Het laatste stukje ging voor de wind. Het was lang geleden dat ik een zondag zo getoerd had.
voetbalclub SV Real Peperkot
Shirtjes in Peperpot
Kerkje in Nieuw-Amsterdam
Commijnerivier met regenboog
Ons werkbezoek werd maandag ineens ingekort met één dag, omdat Bouterse vrijdag tot nationale feestdag had verklaard, ter gelegenheid van Divali, een hindoefeest dat in meer landen in het Caribische gebied wordt gevierd. Maandag hadden we eerst een briefing met de Directeur Gezondheidszorg en met een aantal andere betrokkenen, om doelen en verwachtingen af te stemmen. Vervolgens hebben in twee dagen heel wat voorzieningen bezocht, zoals het Bureau voor Openbare Gezondheidszorg (een soort GGD), het volledig nieuwe nationaal laboratorium, een oud tuberculosesanatorium met 25 bedden, een ziekenhuis, een regionale gezondheidsdienst (RGD), de medische zending (MZ), een soort staats geneesmiddelenbedrijf en een gevangenis. De RGD verzorgt met bijna 50 klinieken de basisgezondheidszorg in het kustgebied van Suriname en MZ is met subsidie van de overheid verantwoordelijk voor het binnenland. Met een netwerk van ruim 50 klinieken hebben zij een indrukwekkend Primary Health Care programma opgezet voor de zeer verspreid wonende bevolking van ‘Amerindianen’. Donderdagochtend spraken we onze bevindingen door en presenteerden die ’s middags aan een groep van 20 mensen. De opbouw bestond uit wat inleidende achtergrondinformatie, uit een lijst van sterke punten (strengths), een lijst van zwakke punten (weaknesses), gevolgd door aanbevelingen (recommendations). Het is belangrijk om de juiste toon te vinden in zo’n terugkoppeling (debriefing). En dat is goed gelukt want we kregen een applaus. De volgende dag bespraken we met de Directeur Volksgezondheidszorg eventuele ondersteuning die PAHO/KNCV kan leveren. Dus het kan zijn dat ik over enige tijd ook deze kant weer eens op moet, en dat is zeker niet erg want ik heb Suriname leren kennen als een mooi land met zeer vriendelijke mensen. Zeker ook voor vakantie aan te bevelen, waarbij je dan zeker ook met een vliegtuigje naar de ‘jungle’ moet, want daar hoor ik ook heel enthousiaste verhalen over.
Centraal Laboratorium (met Rafael Lopez)
In dit hotel zit ook de ‘Golden Generation’ (Krajicek, Eltingh, Siemerink en Haarhuis). Gisteren gaven ze een exhibition en ben ik even wezen kijken. Morgen zitten ze ook in het vliegtuig, maar kan me niet voorstellen dat ze economy class reizen.
The Golden Generation
Richard Krajicek

Siemerink & Eltingh
Groet en tot ziens in Nederland.

vrijdag 27 augustus 2010

Kitgum / Murchison Falls National Park, Oeganda

We hebben jullie op de tropische Ssese Eilanden 'achtergelaten', zo'n 1,5 week geleden. Onze boot naar Entebbe werd een ruw houten puntvormige boot, zo'n 10 meter lang. We waren met 22 mensen, inclusief bemanning, maar we konden ons voorstellen dat er ook gerust 50-100 mensen in zo'n boot gepropt worden. De boot werd met een buitenboordmotor aangedreven. Onderweg moest op een eiland nog wat diesel gehaald worden, want men had te weinig brandstof meegenomen voor de hele oversteek... De 4 uur durende boottocht was prachtig en we hebben bijna de hele overtocht gestaan om van het uitzicht en de zon te genieten en om niet te veel last te hebben van de schommelingen.
boot vanaf Kalangala, Ssese Islands naar Entebbe
In Kampala haalden we onze 4x4-auto op en reden met Steven, de chauffeur, naar Kitgum om Conny Burdo op te zoeken. Zij werkt daar voor Artsen zonder Grenzen (AzG) in een tbc/aids outreach programma. De (overheids)struktuur is in het noorden van Oeganda zwak onder andere als gevolg van een jarenlange strijd met het LRA, het Verzetsleger van de Heer. Dit is een rebellenclub die zich van een misselijkmakende tactiek bedient. Ze roven en ontvoeren namelijk 's nachts kinderen van zo'n 10-15 jaar, die vervolgens, vaak gedrogeerd, 'opgeleid' worden om hun eigen dorpen aan te vallen, waarbij ze gedwongen worden hun eigen familie te doden. Op die manier is een terugkeer naar hun dorp vaak onmogelijk. In Oeganda heeft het leger het gebied al een paar jaar weer onder controle. De LRA heeft haar activiteiten nu verplaatst naar naburige landen, zoals Soedan, Congo en Centraal Afrikaanse Republiek. AzG werkt met zeer strikte veiligheidscondities, waardoor het voor ons niet mogelijk was om hun projecten te bezoeken.

Het was fijn om Conny weer te zien en met haar bij te praten. Overigens heet Conny hier Costanza omdat de leider van de LRA Kony heet... Conny kon een paar dagen vakantie opnemen en we brachten die door in Murchison Falls National Park. De (Victoria) Nijl stroomt hier door een kloof van de Rift Valley en stort zich zo'n 40 meter met veel geraas naar beneden. Verder zagen we veel dieren in dit park, dat groter is dan de provincie Utrecht, zoals olifanten, nijlpaarden, buffels, giraffen en als toetje op het eind van de gamedrive een lui leeuwenpaar die onder een boom lag/zat.
Murchison Falls
waterdragende vrouwen langs de kant van de weg
Gisteren hebben we afscheid genomen van Conny en zijn de 450 km teruggereden naar Kampala/Entebbe. De eerste twee uur over een hobbelige dirt road, en vanaf Gulu over asfalt. De beelden onderweg zijn ons zo vertrouwd!! Dorpen met tukuls (hutjes), de mensen en dieren langs de weg, de overvolle busjes en vrachtauto's en de vele fietsen. Opvallend zijn de grote 20 liter gele jerry cans die gebruikt worden om water te vervoeren, soms op het hoofd, maar vaak met 4 of 5 tegelijk op een fiets. Het water wordt bijna altijd uit een borehole (met waterpomp) gehaald, en Conny vertelde dat ze weinig diarrheeziektes in Kitgum tegenkwam. Dat is een grote vooruitgang, net zoals de mobiele telefoon, want iedereen is bijna op elk moment bereikbaar. De strijd om de klant door MTN, ZAIN, e.a. is grappig zichtbaar in de dorpen, want deze telecombedrijven hebben in elk groot dorp wel een paar huizen in hun kleur (geel voor MTN, paars voor ZAIN) laten schilderen.

Morgenvroeg vertrekken we om 5 uur uit Entebbe en vliegen - na een tussenstop in Nairobi - terug naar Nederland. We kijken terug op een geweldige vakantie in een prettig land(en) met bijzonder vriendelijke mensen. We sturen nog wel een paar mooie foto's als we thuis zijn. En wie zin heeft om meer te zien is uiteraard welkom en kan nog meer verhalen horen.

Groeten vanuit zonnige en mooie Botanische tuinen van Entebbe.



woensdag 18 augustus 2010

Ssese Islands, Oeganda

Als je nog een paradijselijk plekje zoekt, dan zijn de Ssese Eilanden zeker aan te bevelen. Ze liggen in het Victoriameer, het één-na-grootste meer van de wereld, precies op de evenaar. De Ssese Islands zijn een archipel van 84 eilanden, waarvan de helft bewoond. We hadden onze zinnen op ‘Ssese’ gezet, maar hoorden een paar weken geleden al dat de veerboot vanuit Entebbe vanwege onderhoud langdurig uit de vaart was. Dan maar het alternatief over Masaka, zo’n 100 km van Kampala. Op de kaart lijken het allemaal toch korte afstandjes....

We vertrokken afgelopen maandag om 8 uur met twee boda-boda’s (motorfietsen) van het Explorer Camp naar Jinja taxipark. Onderweg begaf één van de motorfietsen het (vast geen benzine meer) en zaten we met z’n tweeën en al onze bagage achter op één motor. Voor Oegandese begrippen helemaal niet vreemd hoor, want we zien ook wel eens vier mensen (incl. chauffeur) op 1 boda-boda rijden. Na een uurtje in de taxibus waren we al aan de rand van Kampala. Kampala is zo op de ochtend één groot verkeersinfarct en het duurde nog een uur voordat we bij “old taxi park” waren. We liepen met onze rugzakken langs de markten naar “new taxi park”, werden nog even gescand op explosieven e.d., en zochten tussen de honderden busjes degene die naar Masaka ging.
in een overvolle matatu/busje
De weg naar Masaka was voor een groot deel ‘under construction’, dus was het al twee uur voordat we daar aankwamen. Van hieruit gingen we nog 40 km over een dirt road in een overvol taxibusje (zo’n 25 i.p.v. 15 passagiers) naar Bukakata, het ferrystation. Het was de laatste ferry (veerboot) van de dag en dus moesten alle busjes, auto’s en de circa 300 passagiers mee naar Bugala eiland. Het was behoorlijk proppen op de open ferry, met veel mensen tussen de auto’s. Wij zochten een plekje bij de reling, want je weet maar nooit met dit soort veerboten.. Na een uurtje bereikten we om 6 uur de overkant en zagen dat het maximum aantal passagiers voor de ferry op 120 was gesteld! Och, we zijn ondertussen wel gewend aan het overladen van transportmiddelen en wurmden ons weer in de volle taxibus. Op de kaart leek de afstand hooguit 15 km, maar op een bordje stond dat het nog 32 km was naar Kalangala. Over een stoffige dirt road en opnieuw met veel tussenstops bereikten we uiteindelijk in het donker het Ssess Islands Beach Hotel. Gelukkig was men hier heel behulpzaam, konden een warme douche nemen en kregen een maaltijd met uiteraard een grote tilapia-vis voorgeschoteld.

En dan word je ’s ochtends wakker van de vogelgeluiden en het kabbelen van het water en kijk je uit het raam uit over het meer. Een wit zandstrandje ligt een paar meter van ons huisje. De huisjes met veranda liggen tussen bomen vol met blad. De grillige wortels steken, zoals bij veel Afrikaanse bomen, een meter boven de grond uit. Ligstoelen stonden al op het strand, en we konden de eerste dag heerlijk uitrusten en een wasje doen. Zwemmen is er helaas niet bij, want er is kans dat je dan bilharzia oploopt (ook al zeggen ze hier dat het ‘seasonal’ is, en dit niet het seizoen is). Ook tijdens het eten moet je uitkijken, want aapjes zitten op de veranda of op het dak hun kans af te wachten om iets van je bord te stelen.

Vandaag hebben we een mooie wandeling met Dennis, onze gids, gemaakt. Eerst langs stranden en vervolgens door een dicht bos, uiteindelijk naar een plek (ruïne) waar Speke, de ‘ontdekker’ van de bron van de Nijl, volgens Dennis een huisje had laten bouwen in 1886. Volgens onze reisgids de Bradt was Speke toen al meer dan twintig jaar dood...

Morgen vertrekken we van dit eiland en hoeven gelukkig niet over dezelfde weg terug, want er blijkt een grote houten boot van Kalangala naar Entebbe te varen. Onze buurvrouw, een Italiaanse die voor AzG in Zuid-Soedan werkte, was met deze boot gekomen en gaat morgen ook terug. Het zal dus wel safe zijn! We melden ons weer als we aan de overkant (en andere kant van de evenaar) zijn.
Sunset Ssess Islands

zaterdag 14 augustus 2010

Jinja, Oeganda


Jinja, aan het Victoriameer in Oeganda, is onze nieuwe verblijfplaats. We slapen opnieuw in een tent en kijken uit op de (Victoria) Nijl, en hebben een geweldig uitzicht over de stroomversnellingen in de rivier. Vanochtend werden we gewekt door de grijze baardaapjes die van de ene boom naar de andere springen. De plek waar we nu zijn is vooral een plaats waar 'overlanders' en andere backpackers overnachten. Er zijn verschillende activiteiten zoals wildwaterraften, bungeejumpen, kayakken. Wij hebben besloten om hier niet aan mee te doen en gaan deze dagen vooral gebruiken om te relaxen en niets te doen.

Gisteren zijn we vanuit Kapenguria/Makutano (Kenia) naar Jinja gereisd. Om 7 uur belde Harrison, de taxichauffeur uit Kitale die ons een paar dagen eerder bij Barnley Guesthouse had afgezet. We hadden met hem afgesproken dat hij ons om 8 uur zou ophalen, dus waren we een beetje verrast dat hij al zo vroeg ons wakker belde, maar Harrison zei: "better early than late", zeer onafrikaans! De nightwatchman van het guesthouse had het vuur al opgestookt, zodat we eerst een goed hete douche konden nemen. Harrison was er al om half 8, maar we gingen eerst nog even koffie/thee drinken met Richard Barnley. Richard is 58 jaar en in Kitale geboren. Zijn ouders waren hier naar toe geëmigreerd en 'mam' van 83 regelt nog steeds de keuken van het guesthouse dat al sinds 1961 bestaat. Ze was nu voor een maand in Engeland. Haar stoel met een speciaal kussentje, aan het hoofd van de tafel, bleef meestal leeg. Verder kwamen we in de guesthouse Tim tegen, een Amerikaanse predikant die nog even 600 bijbels in Kiswahili naar een aantal dorpen in Oeganda moest brengen. De mensen in deze dorpen hadden van zijn aanwezigheid gehoord en wilden hem graag zien/horen. In zijn kerk in St. Louis werd afgelopen zondag daarom een inzameling gedaan en eventjes 4000 dollar binnengehaald. Of deze mensen de bijbels kunnen lezen is maar de vraag. Kiswahili is niet de taal van de Pokotmensen die daar wonen en veel van hen kunnen niet lezen....

In Kitale (25 km verder) dropte Harrison ons bij de Best Line busservices. We hadden al gehoord dat zij op Bungoma reden. Midden op de rode modderige markt stond de aftandse bus van Best Line al te draaien. Onze bagage werd voorin in de bus geplaatst en wij kregen de ons al vertrouwde plek achterin (niet de voorkeursplaats omdat je hier aardig door elkaar wordt geschud). We moesten een klein uurtje wachten totdat alle 50 plaatsen verkocht waren. Ondertussen kwamen allerlei venters in de bus hun waren verkopen. We kochten een paar zakjes pinda's. Een pastor vermaakte ons met bijbelteksten, preken en gebed (in het Pokot) en toen we vertrokken werd zijn plaats ingenomen door een muslim medicijnverkoper. Hij had een koffertje bij zich met allerlei flesjes, zakjes, sprays, e.d. We begrepen dat er o.a. aloë vera in zat en dat sommige medicijnen goed waren tegen constipatie, tyfus, seksueel overdraagbare aandoeningen en nog veel meer ziektes. Hij verkocht aardig wat.
Best Line, Kitale
De bus bleek geen intercity te zijn en stopte om de kilometer, om mensen uit te laten stappen en weer anderen op te pikken. De reis over zo'n 80 km duurde 3,5 uur. Eigenlijk niet eens zo slecht als je bedenkt over welke slechte wegen wij reden en de grote hoeveelheid stops die we maakten. Bedenk maar eens als je een bus zou nemen van Harderwijk naar Gouda over B-weggetjes die in alle dorpjes zou stoppen. We bespraken onderweg dat we het laatste stuk van Bungoma naar de grensplaats Malaba (30 km) met een privétaxi zouden gaan doen: we hadden wel wat luxe verdiend. Net buiten Bungoma stopte de bus en stond een matatu klaar om mensen naar de grens te brengen. We konden deze snelle overstapmogelijkheid toch niet aan ons voorbij laten gaan en zaten even later met allebei een plakkerig kind op schoot en samen met nog zo'n 20 mensen in het busje. Matatu's staan bekend als levensgevaarlijk, want de chauffeurs scheuren over de wegen, en de busjes zijn ook niet altijd even veilig. Er is ook altijd een kaartverkoper in de matatu aanwezig die de schuifdeur bedient, en als het meezit zelf kan zitten. Het grootste deel van de reis stond hij voorovergebogen tegen de deur aan. Schrik niet van de kostprijs van dit ritje, want dat was 80 Keniaanse Shilling (80 eurocent) per persoon.
Boda-boda (fiets), Malaba
In Malaba stond een kilometerslange rij van vrachtwagens te wachten. Ons busje scheurde dat allemaal voorbij en we eindigden op het busstationnetje (opnieuw een zanderige drukke plaats van busjes, markt, e.d.). Bij het openen van de deur kwamen verschillende jongens op ons (en andere passagiers) af en vertelden dat de grens nog 10 (en later 2) km verder was. Ze hadden allemaal een fiets bij zich met een kussentje op de bagagedrager. Na wat onderhandelen besloten we om de gok maar te wagen en zaten even later achter op een fiets. Onze bagage was vastgebonden op een andere fiets en ging ons voor. Na de formaliteiten bij de Keniaanse douane, fietsten we, of beter gezegd werden we over een brug gefietst naar de andere kant waar we ook heel snel langs de Oegandese douane werden geloodst. De jongens fietsten ons nog naar het busstationnetje in Malaba, Oeganda, waar al weer een taxibusje klaar stond richting Kampala. Dit keer werd het 15-zitsbusje niet overladen, waren de wegen zonder potholes (gaten) en reden we de 140 km naar Jinja zonder stops (!) in een kleine twee uur.
Boda-boda (motor), Jinja
Bij de eerste rotonde in Jinja (er zijn er twee) werden we afgezet en de chauffeur vertelde ons al dat er motors waren om naar de stad te gaan. Een paar minuten later zaten we achter op een motor (boda-boda) met onze rugzakken op de rug en reden naar een restaurantje waar we eindelijk even wat konden eten. Want behalve de koffie, een banaan, een paar koekjes en de pinda's hadden we nog geen gelegenheid gehad om te eten. De kip en patat smaakte prima. Met de boda-boda boys onderhandelden we nog even over de ritprijs over de laatste 9 km naar onze eindbestemming. En zo reden we even later eerst nog over de verharde weg en later over de stoffige dirt road. Heuvelaf bereikte de motortjes een snelheid van 50-60 km/uur en we vroegen hen om toch maar wat vaart te minderen want zonder helm en alle bagage kan een val vast vervelend aankomen. Na een dag reizen, over een afstand van Groningen naar Rotterdam, en met allerlei vervoersmiddelen, kwamen we aan in het Explorer camp waar we met een koud Nile Special-biertje op een geweldig terras over de Nijl uit keken naar de ondergaande zon. Het leven is nooit saai in Afrika.

donderdag 12 augustus 2010

Kenia

Zondag zijn we in Nairobi aangekomen. De reis verliep vlotjes. Onze rode en blauwe rugzakken verschenen al snel op de band. Bij de uitgang stond iemand van het hotel met een bordje "Fairview Hotel. Gerard de Vries" op ons te wachten. Het vliegveld ligt 20 km buiten de stad. Er was 's avonds weinig verkeer en we konden ons al snel in het hotel settelen. Afrika, een vertrouwde omgeving! Gelijk met jan-en-alleman in contact, heel behulpzaam. Met een taxi gingen we nog even naar het busstation om te kijken of we zo 's avonds laat al kaartjes konden kopen voor de bus de volgende dag naar Kitale. In tegenstelling tot wat de internetsite vermeldde, ging deze bus alleen 's nachts en niet overdag. Dat leek ons niet zo verstandig. We kregen een tip dat we beter met Easy Coach konden gaan en ons daar 's ochtends om 7 uur het beste konden melden. De bus vertrekt normaliter om 8.30 uur. Terug in het hotel zaten we nog even in de lounge met een Tusker bier te relaxen toen we voor het slapen nog even de malariapilletjes te voorschijn wilden halen. In de rode rugzak (van Gerard) bleken vooral onbekende spulletjes te bevatten en ook een onbekend label. Het was 11 uur. Wat te doen? Het vliegveld gebeld maar daar konden ze alleen vertellen dat iemand 'in person' langs moest komen. Gerard is dus nog even heen en weer gegaan, kon zo langs de douane lopen met de verkeerde rugzak (security is een zeef), en tussen alle opgestapelde tassen en koffers zijn rugzak achter de trap gevonden. Gelukkig, want het was wel een heel slecht begin geweest van de vakantie, zo zonder reservekleding. Hopelijk heeft de Ier de volgende dag zijn rugzak ook teruggevonden.
Easy Coach van Nairobi naar Kitale
Maandag waren we al vroeg op het coachstation, en konden nog twee plaatsen achterin de bus bemachtigen. Niet de voorkeurplaats, want met de slechte wegen word je voortdurend gelanceerd. De trip duurde bijna net zolang als de vliegreis vanuit Nederland. Rond 5 uur kwamen we aan in Kitale. Onderweg een mooie omgeving, hoewel er soms niet veel te zien was door de regendampen. We zijn ook door een park gekomen, en kwamen een paar keer een kudde zebra's tegen. Mr. Laban, onze contactpersoon in Kitale, verscheen al snel bij het busstation en regelde een taxi naar de volgende plaats: Makutano. We slapen hier bij Barnleys Guesthouse. Een Brits-Keniaanse familie die al ruim 60 jaar in deze regio woont. Het huis is omringd door prachtige planten en bomen. We slapen in een grote legertent, met gelukkig echte bedden. Het slaapt fantastisch. Het is wel een beetje koud 's nachts zo op ruim 1000 m hoogte, en krijgen allebei een warme kruik mee om de nacht door te komen.
Barnley's Guesthouse, Makutano
We zijn naar deze plaats/district gekomen omdat een collega van Gerard hier 25 jaar geleden gewerkt heeft en nog steeds betrokken is bij allerlei projecten. Een van die projecten zijn zogenaamde "tbc-dorpen" of "TB manyatta's". Afgelopen twee dagen hebben we deze bezocht. Beide dorpen liggen een stuk lager dan de districthoofdstad. De reis ernaartoe is al geweldig. Mooie omgeving, prachtige dorpen en bijzondere mensen. Veel ezels die voor transport zorgen van voedsel naar de markten. Ze noemen ze hier 'village trucks'. De Pokot-bevolking is een soort herdersvolk en van oorsprong trekken ze met hun koeien, geiten en schapen door dit gebied. Dit is ook de reden van de 'tbc-dorpen': als iemand tbc heeft dan kan hij/zij hier verblijven, aansterken en de medicijnen gedurende 6 maanden innemen. De manyatta's liggen naast een health centre/ziekenhuisje en bestaan uit ronde hutten. Het geeft de mensen het gevoel dat ze 'thuis' zijn. Een belangrijke activiteit van de Nederlandse/Keniaanse stichting is ook om deze patiënten met voeding te ondersteunen.

Morgen trekken we verder. We zullen een taxi nemen naar Kitale , van daaruit met een coach naar Bungoma gaan en vervolgens met een nog kleiner busje, matatu, naar de grens met Oeganda. Ons is verteld dat we daar, in Malaba, over een brug moeten wandelen. De procedure om Kenia uit te gaan en Oeganda in, zou een uurtje kosten. Aan de andere kant - heet ook Malaba - hopen we een Oegandees busje te vinden om naar Jinja te rijden. We houden jullie op de hoogte van het verloop.




vrijdag 8 mei 2009

Camino 6: In Santiago!

Hola. De sterke geur van de eucalyptusbomen prikkelde mijn luchtwegen, geest en benen om m´n pas nog eens te versnellen. Zo dicht bij Santiago! Ik liep nog een dag door in de avondzon (41 km) en moest voor het eerst een hotelkamer boeken. De herberg was "Completa". Elk nadeel heeft z´n voordeel en ik hoefde nu ook niet voor 22 uur binnen te zijn en kon de Champions League halve finale tussen Chelsea en Barça in een volle kroeg uitkijken. Barça scoorde het beslissende doelpunt in de extra tijd en staat over een paar weken in de finale. Juichende mensen in de kroegen en toeterende auto´s op straat.
Dat was een paar dagen geleden. Vanochtend was iedereen al vroeg in de weer. Nog 22 km te gaan naar Santiago en het is gebruikelijk om dan om 12 uur in de kathedraal bij de pelgrimsmis te zijn. Ik sprong dus ook maar om 6 uur uit mijn stapelbed. Buiten Pedrouza volgde ik een aantal zaklantaarns in het donkere bos. En om 11 uur stond ik op de Praxa voor de kathedraal in Santiago de Compostella. De mis vind ik (nog steeds) een grote poppenkast, hoewel het geslinger van het grote wierookvat aan een lang touw wel zeer spectaculair was.
In Santiago de Compostella met een volle stempelkaart (credential)
Aankomen is zeker leuk, maar zoals men zegt "de weg is het doel”. Ik ben 31 dagen onderweg geweest, waarvan 1 dag in bed doorgebracht, gemiddeld 26 km per dag gewandeld. Het is boven verwachting goed gegaan. De nieuwe rugzak zat perfect op mijn rug met zo´n 10-14 kg bagage. Onderin de slaapzak, de poncho en een regenhoes voor de rugzak. Twee plastic zakken met kleding (van alles 2-3 stuks extra), toiletspullen, paar boekjes en sandalen. Daar bovenop de voorraad voor de dag. Je hebt niet veel nodig als peregrino. Een bed in de alberge kost meestal 6-7 euro, in Galicië in de overheidsherbergen is er een vaste prijs van 3 euro waarvoor je ook nog een disposable laken en kussenhoes krijgt. Het menu de peregrino of menu de dia met een primero, segundo en een postre, pan y vino/aqua kost meestal 9 euro. Per dag was ik niet veel meer kwijt dan 25 euro, 1 euro per kilometer.
De eeuwen trekken hier aan je voorbij. Ik heb al iets over de middeleeuwen geschreven. De Camino is in die tijd ontstaan, evenals veel gebouwen. Chris en Michèle, twee Australische vrouwen, zeiden vaak bij de oude bruggen “another medieval bridge”. Ook heb je het op een gegeven moment wel gehad met de oude kerken, die meestal niet meer gebruikt worden. Restanten uit de Romeinse tijd, zeg maar rond het jaar 0, waren soms ook nog goed zichtbaar zoals in het plaatsje Astorga waar ik het Museo Romano bezocht met mooie grafzerken van legionairs. Er bestaat ook een 1000 km pelgrimsroute van Sevilla naar Santiago over een oude Romeinse weg. Volgens kenners is dit de mooiste Camino! Verrassend was Atapuerca waar tien jaar geleden de oudste Europese mens gevonden is, de homo antecessor. Er was een mooi klein museum ingericht met video om hier uitleg over te geven. In de Gallicische boerenbergdorpjes leek de tijd stil te staan, maar de Camino kwam ook door grote steden zoals Logroño, Burgos en León, en langs snelwegen. De moderne tijd was niet helemaal uit beeld.
In een Gallicisch dorp
Ik was voorbereid om mezelf tegen te komen, maar dat is niet gebeurd. Een vrouw van mijn leeftijd vertelde dat ze in deze levensfase voor het eerst het gevoel had “uit huis te zijn”. Ze was al jong getrouwd, had kinderen gekregen en was pas gescheiden. Ze kwam nu pas aan zichzelf toe en deed veel dingen voor het eerst, zoals een 2-persoonsbed delen met een andere vrouw toen de herberg vol was. Ik moest terugdenken hoe ik als 21-jarige door Europa interrailde en met een groepje Israëliërs in een studentenhuis in Rome belandde. Ik heb daar ´s nachts op een 1-persoonsbed geslapen met de voeten van een stoned Israëliër in mijn gezicht. En de Afrika-reis die ik een paar maanden later maakte was natuurlijk ook heel vormend en bevrijdend. Tijdens de Camino heb ik natuurlijk tijd gehad om bepaalde periodes en gebeurtenissen uit mijn leven terug te halen, maar de Camino was vooral een zijn in het hier en nu, een soort meditatie. Mijn hoofd is lekker leeg geworden.

En dan is het te voet voortbewegen bijna voorbij. De voeten, mijn vehikel van de afgelopen maand, hebben het fantastisch gedaan. Halverwege een tijdje last van mijn achillespees, maar geen enkele blaar opgelopen! Mijn lichaam voelt nu ook ijzersterk. Het zal over een paar dagen wel gek zijn als ik weer in een bus zit naar Santiago. De komende drie dagen loop ik naar de kust, de Atlantische Oceaan, naar Finisterre (in het Gallicisch: Cabo Fisterre) om daar het ruizen van de zee te horen en de zon in het water onder te zien gaan. En donderdag vlieg ik terug naar Nederland. Het is toch ook heel fijn om straks weer thuis te zijn. Tot binnenkort!
Finisterre
Saluta, Gerard

dinsdag 5 mei 2009

Camino 5: Bijna in Santiago

Alternatieve route bij Villafranca, alleen voor geoefende wandelaars..
De sneeuwresten van de bergtoppen zijn aan het wegsmelten. Zondag, op weg naar de laatste grote bergen liep ik door het dal van de Rio Valcarca en kruiste tientallen kleine riviertjes met kolkend water. Het is onvoorstelbaar hoeveel water naar beneden komt. Over een paar maanden zullen de riviertjes allemaal droog zijn en het land dor. Nu, groene weiden met koeien, en veel vogel- en krekelgeluiden. ´s Middags begint het hier gelukkig ook al aardig warm te worden. Ik stopte in een gehucht, La Faba, op 920 meter hoogte. Een dorpje met minder dan 100 inwoners, en met een kerk, bar, tienda (klein winkeltje gericht op de peregrino´s) en een herberg. De Duitse hospitallero vertelde dat de kerkklokken geluid zouden worden als de pastoor binnen zou zijn, maar ze bleven stil. Ik voelde me weer fit en wilde de volgende dag vroeg op pad naar de top op 1250 meter hoogte. Dat was niet zo moeilijk omdat de volgende ochtend om 6 uur al veel mensen in de weer waren, want een Spaanse pelgrim had de hele nacht stevig liggen snurken. 
De (laatste) heuvels van de provincie Castilië en Leon
Ik was de eerste die de herberg in de ochtendschemer verliet, richting O´Cebreiro, het eerste plaatsje in Galicië. Achter me begon het langzaam te gloren en toen ik op de top was stond de zon al weer aan de strakblauwe hemel. Voor me het dal met een dicht wolkendek en enkele bergtopjes daar bovenuit stekend. 
O'Cebreiro, begin van Galicië 
De tocht ging de eerste uren nog over de heuvelrug verder, naar het hoogste punt Alto de Poyo (1337 m), en daarna naar beneden naar Triacastela. Ik had een lange lunchpauze gehad en nog veel energie om verder te gaan en liep nog wat uren door naar een ander dorpje. Het was heerlijk om zo laatmiddag te wandelen; met een briesje, geen andere pelgrims op de weg en soms aangesproken door een bewoner die op een bankje voor het huis zat. Het was 8 uur toen ik nog een plekje vond in de herberg in Calvor. Ik had er 40 km opzitten, de tweede keer dat ik een 40´er deed.

De koninginnenetappe was echter op 30 april langs de Cruz de Hierro, met 1500 meter het hoogste punt van de Camino. ´s Ochtends regende het een beetje en na het grote ijzeren kruis was de afdaling in dichte regenwolken en in de regen. Spookachtig. Het zicht was minder dan 100 meter. Zo nu en dan doken wielrenners op de verharde weg naast me op, met klapperende regenkleding en piepende banden, en verdwenen weer in de mist. 
In El Acebo, het eerste bergdorpje, was voor veel mensen de plek om even iets warms te eten en te drinken. Ik at een broodje dat nog even de magnetron in ging. De regen deerde me eigenlijk weinig deze dag, het was een mooi gezicht en ik zei tegen een passerende pelgrim “Every day has its beauty”. Ook deze dag had ik meer dan 30 km afgelegd en ik trakteerde mezelf op een pizza in Ponferrada. Of het nou deze pizza was, die al na 2 minuten op tafel stond of het stokbroodje met tonijn uit de magnetron van El Acebo, maar de volgende dag was het mis. Ik vroeg aan de hospitallero of ik nog een uurtje mocht blijven liggen, en ze zei dat ik gewoon moest blijven. Dat was maar goed ook, want een uur later kotste ik alles uit. Die dag hield ik niets binnen en bracht bijna geheel slapend in bed door. Het was in ieder geval goed voor m´n spieren om even een dagje rust te hebben.
Inmiddels ben ik in de laatste Comunidad: Galicië. Dit is weer een heel andere omgeving. Kleine boerendorpjes met veel koeienpoep op straat. De 100 km markering ben ik gepasseerd. Santiago is dichtbij.
Nog 100 km te gaan!